Soms, als je een woord niet meer weet, is het handig als je het kunt beschrijven. Onderstaande zinnen kunnen je daarbij helpen.

 What’s the shape – wat is de vorm?

It’s square. Het is vierkant.
It’s rectangular. Het is rechthoekig.
It’s a rectangle. Het is een rechthoek.
It’s triangular. Het is driehoekig.
It’s a triangle. Het is een driehoek.
It’s round. Het is rond.
It has the shape of a pear. Het heeft de vorm van een peer.
It is small. Het is klein.
It is big. Het is groot.

 

  What is it made of – waar is het van gemaakt?

It’s made of plastic. Het is gemaakt van plastic.
It’s made of wood. Het is gemaakt van hout. 
It’s made of fabric. Het is gemaakt van stof.
It’s made of iron. Het is gemaakt van ijzer.
It’s made of stainless steel. Het is gemaakt van roestvrij staal.
It’s made of stone. Het is gemaakt van steen.
It’s made of glass. Het is gemaakt van glas.
It’s made of paper. Het is gemaakt van papier.

 

 What colour is it – wat voor kleur heeft het?

It’s red. Het is rood.
It’s blue. Het is blauw.
It’s green. Het is groen.
It’s brown. Het is bruin.
It’s yellow. Het is geel.
It’s orange. Het is oranje.
It’s purple. Het is paars.
It’s pink. Het is rose.
It’s black. Het is zwart.
It’s white. Het is wit.
It’s grey. Het is grijs.

 

 Oefenen