“Kan een paar eenvoudige zinnen schrijven over zichzelf of over andere mensen”

Over jezelf, waar je woont en je familie
Mijn naam is … My name is ….
Ik ben 14 jaar. I am 14-years-old.
Ik woon in … I live in …
Ik ben geboren op … I am born on …
Ik heb een broer en een zus I have a brother and a sister.
Ik heb een hond/kat. I have a dog/cat.
Mijn ouders heten … My parents are called …
Mijn hobby’s zijn … My hobbies are …
Ik ben enigkind. I am an only child

.

Plaatjes beschrijven
Dit is … This is …
Dat is … That is
Deze zijn … These are
Die zijn … Those are
Er is … There is …
Er zijn … There are …
Het is een man/vrouw. It’s a man/woman.
Het is een jongen/meisje It’s a boy/girl.
Hij heeft een … He has got a …
Het ziet er uit als … It looks like …
Ik zie mensen op dit plaatje. I see people in this picture.
On the right/left … Aan de rechterkant/linkerkant …
Near the … Vlakbij de ..
On the … Op de
Under the … Onder de …
Next to the … Naast de …
Behind the … Achter de …
In the … In de …