One day I wrote her name upon the strand,
But came the waves and washed it away:
Again I wrote it with a second hand,
But came the tide, and made my pains his prey.
Vain man, said she, that dost in vain assay
A mortal thing so to immortalize!
For I myself shall like to this decay,
And eek my name be wiped out likewise.
Not so (quoth I), let baser things devise
To die in dust, but you shall live by fame:
My verse your virtues rare shall eternize,
And in the heavens write your glorious name;
Where, whenas death shall all the world subdue,
Our love shall live, and later life renew.

Extra

Dit sonnet is een onderdeel uit een sonnettencyclus dat gepubliceerd werd in 1595. De cyclus bestaat uit 88 sonnetten en is genaamd ‘Amoretti’. In de sonnetten beschrijft Edmund Spenser zijn liefde voor zijn vrouw, Elizabeth Boyle.

In bovenstaand gedicht schrijft hij haar naam in het zand. Door haar naam te schrijven zal ze blijven voortbestaan. De golven komen echter en weg is haar naam. Zij ziet wat er gebeurt en zegt tegen hem dat iets wat sterfelijk is, niet onsterfelijk gemaakt kan worden. Maar Spenser weigert op te geven en schrijft een gedicht over haar. En 400 jaar later lezen we nog steeds over haar…

Vorm

Zoals al duidelijk wordt uit de titel, is dit een sonnet: het bestaat uit 14 regels en elke regel heeft 10 lettergrepen. In de hele cyclus maakt Spenser gebruik van het rijmschema ABAB – BCBC – CDCD – EE. Dit rijmschema heeft naderhand zijn naam meegekregen: het Spenseriaans sonnet.