Milk from cow to you

1. The cows are fed.

2. The cow is milked.

3. The milk is bottled.

4. The milk is bought.

In bovenstaande plaatjes wordt verteld hoe de melk van een koe bij de mens terecht komt. Het is hierbij belangrijker om te weten wat er gebeurt, dan wie het doet. Deze zinnen staan in de lijdende vorm. In het Engels wordt dit de ‘passive’ genoemd.

Zinnen kunnen in een bedrijvende (in de betekenis van ‘doen’) of lijdende vorm staan. Ze worden ook wel de actieve en de passieve vorm genoemd. De passive is geen grammaticale tijd, maar een manier om iets te zeggen. Zoals in de bedrijvende vorm grammaticale tijden voorkomen, komen ze ook voor in de passive.

Wanneer gebruik je de passive?

Als het belangrijker is om nadruk te leggen op wat er gebeurt, dan wie het doet
–> The cows are fed.
Als degene die het doet, onbekend is
–> The milk is bottled.

In een passieve zin wordt degene die iets doet, vaak niet genoemd. Als dat wel het geval is, dan wordt deze voorafgegaan door ‘by’ (door)

–> The cows are fed (by the farmer).

Hoe wordt de passive gemaakt?

een vorm van het werkwoord ‘be’ + voltooid deelwoord
–> The milk is bought.

In het Nederlands wordt de lijdende vorm gemaakt met een vorm van worden/zijn + voltooid deelwoord

–> De koe wordt gemolken (door de boer).

Hoe zit het nu met die tijden?

Zoals eerder gezegd komen de tijden uit de bedrijvende zin ook voor in de lijdende zin. Bij het oefenen van de passive, kom je nog wel eens oefeningen tegen waarbij je een bedrijvende zin lijdend moet maken. Dat kan lastig zijn als je niet goed op de hoogte bent van de grammaticale tijden hoe die gemaakt worden. Bovendien zul je op de hoogte moeten zijn van de voltooide deelwoorden van de onregelmatige werkwoorden.

Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste grammaticale tijden in de bedrijvende zin en de bijbehorende tijden in de passieve zin.

De voorbeelden die gegeven worden, horen bij de zin

‘The cows are fed’

Grammaticale tijd Bedrijvende vorm Lijdende vorm (passive)
Present simple The farmer feeds the cows. The cows are fed.
Present continuous The farmer is feeding the cows. The cows are being fed.
Simple past The farmer fed the cows. The cows were fed.
Past continuous The farmer was feeding the cows. The cows were being fed.
Present perfect The farmer has fed the cows. The cows have been fed.
Past perfect The farmer had fed the cows. The cows had been fed.
Future The farmer will feed the cows. The cows will be fed.
be going to

.

The farmer is going to feed the cows. The cows are going to be fed.

Voor de theoretici

En om het dan allemaal nog wat leuker te maken, kan dit er ook nog wel bij:

() Het lijdend voorwerp in de bedrijvende zin, wordt onderwerp in de lijdende zin.
–> bedrijvend: The farmer feeds the cows.

–> lijdend: the cows is lijdend voorwerp in de bedrijvende zin, dus wordt onderwerp van de lijdende zin: The cows are fed.

Is het je allemaal wat gaan duizelen?

Wanhoop niet als het in het begin niet allemaal lukt! Grammatica is ook iets dat ‘in moet slijpen’. De regel kennen is één ding, toepassen is een andere. Door veel te oefenen krijgen je hersenen de regel vanzelf een keer te pakken. Dat is niet zo fijn om te weten als je morgen een repetitie hebt waar de passive in voorkomt en het allemaal nog abracadabra is, maar eens zal het lukken! En dat gaat bij de één sneller dan bij de ander.

With courtesy to www.midwestdairy.com for allowing use of the pictures.