De grammaticale tijden: een kort overzicht
De grammaticale tijden: een uitgebreid overzicht
Een voorwaarde aangeven: if-zinnen
Om een reactie van iemand vragen: question tags
Een vraag stellen
Als datgene wat gedaan wordt meer nadruk verdient dan wie het doet: de passive


De tegenwoordige tijd

Een gewoonte, feit of regelmaat beschrijven: simple present
Praten over iets dat nu gebeurt: present continuous


De verleden tijd

Zeggen dat iets in het verleden gebeurd is: past simple
Als iets in het verleden een tijdje voortduurde: past continuous


De voltooide tijd

Praten over dingen in het verleden waarvan het tijdstip onbekend of onbelangrijk is: present perfect
Als iets in het verleden gebeurd is vlak voor iets anders gebeurde: past perfect


De toekomst

Als zeker is dat iets gaat gebeuren: future tense (will + hele werkwoord)
Iets van plan zijn of iets voorspellen: be going to
Praten over iets alsof het in de toekomst al plaatsgevonden heeft: future perfect


Tijden vergelijken

Present simple <-> present continuous
Past simple <-> present perfect
Past simple <-> past continuous
Past simple <-> past perfect
Toekomst