Voorzetsels zijn korte woorden die een relatie aangeven tussen verschillende woorden in de zin.

Die relatie kan zijn:

plaats: Waar?
The glass is on the table. – Het glas is op de tafel
richting: Waarheen?
They cycled from Paris to Lyon. – Ze fietsten van Parijs naar Lyon.
tijd: Wanneer?
School start at 8:20. – De school begint om 8:20.

Omdat er geen vaste regels zijn voor het gebruik van voorzetsels, is het een lastig onderdeel.
Problemen met voorzetsels doen zich vooral voor

wanneer er in het Engels wel een voorzetsel qebruikt en in het Nederlands niet, of omgekeerd:
I came here to learn English. – Ik kwam hier om Engels te leren.
bij de keuze van het te gebruiken voorzetsel:
Welcome to London! – Welkom in Londen!

Voorzetsels kun je het best leren in een voorbeeldzin.

Aan de verschillende soorten voorzetsels wordt in het vaklokaal op aparte pagina’s aandacht besteed.

Maak hier je keuze:

Voorzetsels van plaats
Voorzetsels die een beweging aangeven
Voorzettels van tijd