Persoonlijke voornaamwoorden
Om te zeggen over wie iets gaat, gebruik je persoonlijke voornaamwoorden.
Je moet daarbij kijken of het gaat over de persoon/personen als onderwerp van de zin of als voorwerp (meewerkend of lijdend) van de zin.
Als onderwerp van de zin (het antwoord op de vraag ‘Wie?’) zijn er de volgende persoonlijke voornaamwoorden:
|
|
|
|
|
I - ik |
You - jij, u |
He - hij |
|
|
|
|
|
She - zij |
It - het |
We - wij |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
You - jullie, u |
They - zij |
|
Het Engels heeft maar één vorm voor jij, u en jullie: you.
Als je over dingen spreekt, gebruik je ‘it’. Dit is ook het geval bij dieren waarvan het geslacht onbekend of onbelangrijk is.
| That’s a parrot. It sits on a plant. | Dat is een papegaai. Hij zit op een plant. |
Bij de vertaling van ‘zij’ moet je goed opletten of het over 1 persoon gaat (= she) of over meerdere personen (= they).
Als voorwerp van de zin worden de volgende persoonlijke voornaamwoorden gebruikt:
|
|
|
|
|
Me - mij |
You - jou, u |
Him - hem |
|
|
|
|
|
Her - haar |
It - het |
Us - ons |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
You - jullie, u |
Them - hen |
|
| –> I saw him at school yesterday | Ik zag hem gisteren op school. |
| –> We played against them last week. | We hebben vorige week tegen hen gespeeld. |
In het kort
Als je over personen wilt praten, dan ligt het er aan of er gesproken wordt over de persoon als onderwerp of als voorwerp. In een schema ziet dat er als volgt uit:
| Onderwerp | Voorwerp | ||||
| Enkelvoud | I | ik | me | mij | |
| you | jij, u | you | jou, u | ||
| he | hij | him | hem | ||
| she | zij | her | haar | ||
| it | het | it | het | ||
| Meervoud | we | wij | us | ons | |
| you | jullie, u | you | jullie, u | ||
| they | zij | them | hen |
| Met dank aan Brodaria Skole voor de plaatjes. |









Recente Reacties