This is my basket

These are my apples.

That is my apple.

Those are my books.

This, these, that en those worden aanwijzende voornaamwoorden genoemd. Ze wijzen iets of iemand aan.

Wanneer gebruik je this, these, that of those?

this = dit/deze, als het dichtbij de spreker is en het over één persoon of voorwerp gaat (enkelvoud)
these = deze, als het dichtbij de spreker is en het over meerdere personen of voorwerpen gaat (meervoud)
that = dat/die, als het verder weg van de spreker is en over één persoon of voorwerp gaat (enkelvoud)
those = die, als het verder weg van de spreker is en over meerdere personen of voorwerpen gaat (meervoud)

In het kort:

dichtbij veraf
enkelvoud this that
meervoud these those