Als je informatie over bijvoorbeeld een plaats, een tijdstip of personen wilt hebben, kun je een vraag stellen met een vragend voornaamwoord. Dit worden ook wel ‘wh-question words’ genoemd, omdat de woorden met wh beginnen, alhoewel daar één uitzondering bij zit: how.

Het Engels kent 8 vraagwoorden: who, whose, what, when, where, which, why, how.

Welk vraagwoord je moet gebruiken, hangt af van de informatie waar je naar vraagt.

who? = wie? vraagt naar personen
Who was that girl you were talking to?
whose? = van wie? vraagt naar personen als het om bezit gaat
Whose car is this?
what? = wat? vraagt naar dingen (en dieren)
What do you want?
when? = wanneer vraagt naar een tijdstip
When does the train arrive?
where? = waar? vraagt naar een plaats
Where did you park your car?
which? = welke vraagt naar personen en dingen als een keuze gemaakt moet worden uit een beperkt aantal
Which one do you like? The blue one or the red one?
why? = waarom? vraagt naar een reden
Why are you late?
how? = hoe? vraagt naar een manier
How did you get here? I came by bike.

 

Over het algemeen leveren vraagwoorden niet veel problemen op. Het wordt wat lastiger als in het Engels een ander vraagwoord wordt gebruikt dan in het Nederlands. Dit is bijvoorbeeld het geval bij:

- What time is is? Hoe laat is het
- What street is this? Welke straat is dit?
- What does he look like? Hoe ziet hij er uit?