Je ziet hier een plaatje van een man die aan het lopen is. Over de manier van lopen kun je aanvullende informatie geven.

Voorbeeld:

The man is walking fast. De man loopt snel.
The man is walking slowly. De man loopt langzaam.

In deze voorbeelden zijn fast en slowly bijwoorden. Zij geven aanvullende informatie over het werkenwoord lopen.

Over ‘fast’ en ‘slowly’ is ook aanvullende informatie te verkrijgen:

Voorbeeld:

The man is walking extremely fast De man loopt extreem snel.
The man is walking very slowly. De man loopt erg langzaam

Ook extremely en slowly zijn bijwoorden. Zij geven extra informatie over de bijwoorden ‘fast’ en ‘slowly’.

De vier voorbeelden die hier gegeven zijn, worden ‘adverbs (=bijwoorden) of manner’ genoemd. Zij geven op antwoord op de vraag hoe?

Hoe maak je een bijwoord

De meeste bijwoorden van manier worden gemaakt door -ly achter het bijvoeglijk naamwoord te zetten.

Voorbeeld:

He is a slow walker. - He walks slowly.
She’s a careful driver. - She drives carefully.

Waar staat het bijwoord van manier in de zin?

- na het werkwoord
She danced beautifully.
- staat er een voorwerp in de zin (meewerkend of lijdend), dan komt het bijwoord hierna.
You speak Spanish well.

Spelling:

- eindigt een woord op -y, dan verandert -y in -i: The newspaper arrives daily.
- eindigt het bijv. nw op able/ible, dan vervalt de -e en wordt -y toegevoegd: He talks sensibly.

Let op!

Sommige bijwoorden volgen deze regel niet.

good      –> well
hard       –> hard
fast        –> fast
late        –> late
early      –> early

Op dit plaatje zie je man die aan het schilderen is. Over de plaats van schilderen kun je ook weer dingen zeggen.

Voorbeeld:

The man is painting here. De man schildert hier.
The man is painting there. De man schildert daar.
The man is painting somewhere. De man schildert ergens.

Deze voorbeelden worden ‘adverbs of place’ genoemd. Zij geven een antwoord op de vraag waar?

Waar staat het bijwoord van plaats in de zin?

- over het algemeen staan deze bijwoorden aan het eind van de zin.
I looked everywhere.

Hier zie je een man binnenkomen. Over het tijdstip daarvan kun je meer informatie geven.

Voorbeeld:

He came in late. Hij kwam te laat binnen.
He came in immediately. Hij kwam direct binnen.
He came in at two minutes to nine yesterday. Hij kwam gisteren om twee minuten voor negen binnen.

Late, immedialtely en yesterday worden ‘adverbs of time’ genoemd. Zij geven antwoord op de vraag wanneer?

Waar staat het bijwoord van tijd in de zin?

- gewoonlijk staat het bijwoord van tijd aan het eind van de zin
He played well yesterday.
- wordt het bijwoord van tijd vooraan in de zin geplaatst, dan is dat om er extra nadruk op te leggen
Yesterday he played well.

Deze man leest de krant. Over de regelmaat hiervan kun je meer vertellen.

Voorbeeld:

He always reads the newspaper at breakfast. Hij leest de krant altijd bij het ontbijt.
He never reads the newspaper at lunch. Hij leest de krant nooit bij de lunch.
He sometimes reads the newspaper at the office. Hij leest de krant soms op kantoor.

Deze bijwoorden worden ‘adverbs of frequency’ genoemd. Andere voorbeelden hiervan zijn bijvoorbeeld ook often, ever en usually. Zij geven antwoord op de vraag hoe vaak?

Waar staat het bijwoord van tijd in de zin?

- voor het werkwoord
My sister usually does her homework in the evening.
- na am | is | are | was | were
She was often late.

Wat als er meerder bijwoorden in de zin staan?

Als er meerdere bijwoorden in de zin staan, dan komt eerst het bijwoord van manier (hoe?), dan het bijwoord van plaats (waar?) en dan het bijwoord van tijd (wanneer?).

Bijwoorden en hun betekenis.

Van sommige bijwoorden verandert de betekenis als er -ly wordt toegevoegd aan het bijvoeglijk naamwoord:

Because of an accident, the bus arrived late. Door een ongeluk kwam de bus (te) laat aan.
Where is Paul? Have you seen him lately? Waar is Paul? Heb jij hem de laatste tijd nog gezien?
In summer it can be really warm. In de zomer kan het echt warm zijn.
She welcomed me warmly. Ze verwelkomde me hartelijk.
He lives near the station. Hij woont dichtbij het station.
She cycles to school nearly every day. Ze fietst bijna elke dag naar school.
I think you’re working too hard. Ik denk dat je te hard werkt.
She’s not a friend. I hardly know her. Zij is geen vriendin. Ik ken haar nauwelijks.
When you cheat, you don’t play fair. Als je vals speelt, speel je niet eerlijk.
She’s my friend. I know her fairly well. Ze is mijn vriendin. Ik ken haar tamelijk goed.

In het kort

Bijwoorden geven extra informatie over een werkwoord, een bijvoeglijk naamwoord, een hele zin of een ander bijwoord.

Er zijn verschillende soorten bijwoorden. De meest belangrijke daarvan zijn:

Bijwoorden van manier (hoe?)
Bijwoorden van plaats (waar?)
Bijwoorden van tijd (wanneer?)
Bijwoorden van frequentie (hoe vaak?)

Bijwoorden staan over het algemeen aan het eind van de zin. Behalve de bijwoorden van frequentie. Deze staan voor het (hoofd)werkwoord of na een vorm van ‘to be’.

Als er meerdere soorten bijwoorden in één zin voorkomen, dan is de volgorde:

manier – plaats – tijd (hoe? – waar? – wanneer?).

Van sommige bijwoorden, zoals late – lately, bestaan twee vormen. Zonder -ly en met -ly. Beide woorden hebben echter een andere betekenis.

Welk bijwoord hoort bij het bijvoeglijk naamwoord?
Zinnen maken met bijwoorden (1)
Zinnen maken met bijwoorden (2)
Zinnen maken met bijwoorden (3)