Om te weten welk woord, een bijvoeglijk naamwoord of een bijwoord,  je in een zin moet gebruiken, kun je de volgende stappen nemen:

1. Beschrijft het woord een zelfstandig naamwoord?
–> vul een bijvoeglijk naamwoord in
2. Geeft het informatie over een ander woord (bijvoeglijk naamwoord, werkwoord, een hele zin of een ander bijwoord)?
–> vul een bijwoord in

Voorbeeld 1

She played bad/badly and lost the game.
‘bad’ geeft extra informatie over ‘played’, een werkwoord.
–> het juiste antwoord is ‘badly’, een bijwoord

Voorbeeld 2

The music is too loud/loudly. We can’t hear ourselves talk!
‘loud’ beschrijft het woord ‘music’, een zelfstandig naamwoord.
–> het juiste antwoord is ‘loud’, een bijvoeglijk naamwoord.

Voorbeeld 3

She asks intelligent/intelligently questions.
‘intelligent’ geeft extra informatie over ‘questions’, een zelfstandig naamwoord.
–> het juiste antwoord is ‘intelligent’.

Voorbeeld 4

Unfortunately/unfortunate, we were late and missed the beginning of the film.
‘unfortunate’ geeft extra informatie over de hele zin na de komma.
–> het juiste antwoord is ‘unfortunately’.