Je ziet hier een plaatje van kinderen in een klaslokaal. De vraag die de juf aan het kind stelt, zou de volgende kunnen zijn:

Is this your notebook or is it hers?

Is dit jouw schrift of is het van haar?

De woorden your en hers zijn bezittelijke voornaamworden. Zij geven aan dat iets van iemand is.

Er is echter wel een verschil: your is in bovenstaand voorbeeld bijvoeglijk gebruikt. Het zegt iets van het zelfstandig naamwoord  ‘notebook’, dat er op volgt. Hers is in het voorbeeld zelfstandig gebruikt. Het vervangt een eerder genoemde zelfstandige naamwoord (‘notebook’).

Voor vrijwel elke persoon bestaan in het Engels dus twee bezittelijke voornaamwoorden: één die bijvoeglijk gebruikt wordt en één die zelfstandig gebruikt wordt. In onderstaand overzicht zie je welke waarbij hoort.

bijvoeglijk zelfstandig
enkelvoud my mijn mine van mij
your jouw, uw yours van jou, van u
his zijn his van hem
her haar hers van haar
its zijn; haar
meervoud our onze ours van ons
your jullie, uw yours van jullie, van u
their hun theirs van hen

Zoals je kunt zien bestaat er geen zelfstandig gebruikt bezittelijk voornaamwoord bij ‘it’.

Zelfstandig gebruikte bezittelijke voornaamwoorden worden ook gebruikt na ‘of’:

–> He’s a friend of mine.

In het kort

Er zijn twee verschillende soorten bezittelijke voornaamwoorden:

- bijvoeglijk gebruikt.
Deze staan voor het zelfstandige naamwoord waar ze betrekking op hebben
–> Can I leave my bag in your car?
- zelfstandig gebruikt.
Deze vervangen een eerder genoemd zelfstandig naamwoord.
–> This is not our car; it’s theirs.
Na ‘of’.
–> They are friends of ours.