Je ziet hier een plaatje van een huis. Je kunt een aantal dingen zeggen om het huis te beschrijven.

Bijvoorbeeld:

It is a beautiful house. Het is een mooi huis.
It is a big house. Het is een groot huis.
The walls are white. De muren zijn wit.
It has a red roof. Het heeft een rood dak.

Woorden zoals beautiful, big, white, en red zijn bijvoeglijke naamwoorden. Zij beschrijven een zelfstandig naamwoord (woorden waar je de, het of een voor kunt zetten). In dit geval is dat ‘house’.

Als je kijkt naar de zinnen, kun je zien dat de bijvoeglijke naamwoorden op 2 manieren in de zin kunnen voorkomen:


vóór het zelfstandig naamwoord
-> zoals in ‘It is a beautiful house’
na een vorm van het werkwoord ‘to be’ (= am, is, are, was, were, have been)
-> zoals in ‘The walls are white‘.