Om van een regelmatig werkwoord de past simple en het voltooid deelwoord te maken, voed je aan het werkwoord -ed toe:

hele werkwoord verleden tijd voltooid deelwoord betekenis
to work - worked - worked - werken
to walk - walked - walked - lopen
to wash - washed - washed - wassen

Onregelmatige werkwoorden hebben een afwijkende vorm voor de simple past en het voltooid deelwoord.

Hieronder vind je een overzicht van de meest voorkomende onregelmatige werkwoorden. De werkwoorden staan in alfabetische volgorde. Bij de spelling is het Brits-Engels aangehouden.

Om de verschillende vormen te leren, kun je ze het best uit je hoofd leren en vaak oefenen. Na verloop van tijd blijven ze dan vanzelf in je hoofd zitten.

hele werkwoord verleden tijd voltooid deelwoord betekenis
1 to be - was/were - been - zijn; worden
to beat - beat - beaten - slaan
to become - became - become - worden
to begin - began - begun - beginnen
5 to bend - bent - bent - buigen
to bet - bet - bet - wedden
to bleed - bled - bled - bloeden
to blow - blew - blown - blazen
to break - broke - broken - breken
10 to breed - bred - bred - fokken
to bring - brought - brought - brengen
to broadcast - broadcast - broadcast - uitzenden
to build - built - built - bouwen
to burn - burnt - burnt - (ver)branden
15 to buy - bought - bought - kopen
to catch - caught - caught - vangen
to choose - chose - chosen - kiezen
to come - came - come - komen
to cost - cost - cost - kosten
20 to cut - cut - cut - snijden; knippen
to deal (with) - dealt - dealt - omgaan met
to dig - dug - dug - graven
to do - did - done - doen
to draw - drew - drawn - tekenen; trekken
25 to dream - dreamt - dreamt - dromen
to drink - drank - drunk - drinken
to drive - drove - driven - rijden (auto)
to eat - ate - eaten - eten
to fall - fell - fallen - vallen
30 to feed - fed - fed - voeden; voeren
to feel - felt - felt - voelen
to fight - fought - fought - vechten
to find - found - found - vinden
to fly - flew - flown - vliegen
35 to forbid - forbade - forbidden - verbieden
to forget - forgot - forgotten - vergeten
to forgive - forgave - forgiven - vergeven
to freeze - froze - frozen - vriezen
to get - got - got - krijgen
40 to give - gave - given - geven
to go - went - gone - gaan
to grow - grew - grown - groeien
to hang - hung - hung - hangen
to have - had - had - hebben
45 to hear - heard - heard - horen
to hide - hid - hidden - verbergen
to hit - hit - hit - slaan; raken
to hold - held - held - vasthouden
to hurt - hurt - hurt - pijn doen
50 to keep - kept - kept - houden; bewaren
to know - knew - known - weten; kennen
to lead - led - led - leiden
to lean - leant - leant - leunen
to leave - left - left - (ver)laten
55 to lend - lent - lent - lenen aan
to let - let - let - laten; verhuren
to lie - lay - lain - liggen
to lose - lost - lost - verliezen
to make - made - made maken
60 to mean - meant - meant - betekenen; bedoelen
to meet - met - met - ontmoeten
to pay - paid - paid - betalen
to put - put - put - zetten; leggen
to read - read - read - lezen
65 to ride - rode - ridden - rijden (paard/fiets)
to ring - rang - rung - bellen
to rise - rose - risen - stijgen; toenemen
to run - ran - run - rennen
to say - said - said - zeggen
70 to see - saw - seen - zien
to sell - sold - sold - verkopen
to send - sent - sent - (ver)zenden; (ver)sturen
to set - set - set - zetten; plaatsen; instellen
to shake - shook - shaken - schudden
75 to shine - shone - shone - schijnen
to shoot - shot - shot - schieten
to show - showed - shown - tonen; laten zien
to shut - shut - shut - dicht doen
to sing - sang - sung - zingen
80 to sink - sank - sunk - zinken
to sit - sat - sat - zitten
to sleep - slept - slept - slapen
to smell - smelt - smelt - ruiken
to sow - sew - sown - zaaien
85 to speak - spoke - spoken - spreken
to spell - spelt - spelt - spellen
to spend - spent - spent - doorbrengen; uitgeven
to spill - spilt - spilt - verspillen
to spit - spit - spit - spugen
90 to split - split - split - splijten
to spoil - spoilt - spoilt - knoeien; verpesten
to spring - sprang - sprung - springen
to stand - stood - stood - staan
to steal - stole - stolen - stelen
95 to stick - stuck - stuck - plakken
to sting - stung - stung - steken
to stink - stank - stunk - stinken
to strike - struck - struck - (in)slaan
to swear - swore - sworn - zweren; vloeken
100 to sweep - swept - swept - vegen
to swim - swam - swum - zwemmen
to swing - swung - swung - zwaaien; schommelen
to take - took - taken - nemen
to teach - taught - taught - onderwijzen
105 to tear - tore - torn - scheuren; trekken
to tell - told - told - vertellen
to think - thought - thought - denken
to throw - threw - thrown - gooien; werpen
to understand - understood - understood - begrijpen; verstaan
110 to wake (up) - woke - woken - wakker worden
to wear - wore - worn - dragen (kleding)
to weep - wept - wept - wenen (huilen)
to win - won - won - winnen
to write - wrote - written - schrijven