Om een cirkel te kunnen maken, heeft de man die het potlood vast houdt, aanwijzingen nodig. De man die bovenop het potlood zit, helpt hem hierbij.

Met een gewoon werkwoord (zelfstandige werkwoorden) kun je een zin in het Engels maar in twee tijden zetten: de tegenwoordige en de verleden tijd (present en past simple).

Voorbeeld:

He draws circles. Hij tekent cirkels.
He drew circles. Hij tekende cirkels.

Als in de zin een andere tijd gebruikt moet worden, heb je werkwoorden nodig die daarbij helpen. Of als je een vraag wilt stellen (vragende zin). Of wilt zeggen dat iets niet zo is (ontkennende zin).

Daarnaast zijn er nog hulpwerkwoorden die, samen met het hele werkwoord in de zin bijvoorbeeld mogelijkheid, toestemming, verplichting of kunde aangeven.

De hulpwerkwoorden

hele werkwoord: de vormen:
to be am | is | are| was | were | been
to have have | has | had
to do do | does | did | done
can can | could
may may | might
must must
will will | would
shall shall | should

Belangrijk

Hulpwerkwoorden zijn erg belangrijk in het gebruik van de taal. Je zult ze daarom uit je hoofd moeten leren. Als je weet welke vormen er bij elk hulpwerkwoord horen, is het voldoende om de hele werkwoorden te kennen. Als je dat (nog) niet weet, is het handiger om de vormen uit je hoofd te leren.

Waar elk hulpwerkwoord nu precies bij helpt, kun je lezen bij de uitleg van de hulpwerkwoorden afzonderlijk.