Het werkwoord ‘to have’ is een onregelmatig werkwoord. Dat betekent dat het zich niet houdt aan de regels voor het maken van de verleden tijd of het voltooid deelwoord:

hele werkwoord

verleden tijd

voltooid deelwoord

betekenis

to have

had

had

hebben

Ook als je het werkwoord gaat vervoegen, dus gaat kijken welke vorm er bij welke persoon hoort, volgt het niet de regels:

I have
You have
He/She/It has
We have
You have
They have

 

In de verleden tijd en bij het voltooid deelwoord blijven de vormen bij de personen hetzelfde. Alle personen gebruiken ‘had’ in de verleden tijd en als voltooid deelwoord.

De functies van ‘to do’

In bovenstaand overzicht heeft ‘to have’ een betekenis in de zin. Je kunt het vertalen met ‘hebben’:

–> He has a black beard? Hij heeft een zwarte baard. (1)
–> I have breakfast at 7 o’clock. Ik ontbijt om 7 uur (2)

 

In dit geval is hebben een zelfstandig werkwoord. Het geeft de betekenis mee aan de zin. Het geeft een bezit aan (1) of een gewoonte (2).

Als have de betekenis van bezitten heeft, wordt in Groot-Britannië vaak ‘got’ toegevoegd. Dit ‘got’ heeft geen enkele betekenis. In andere Engelssprekende landen wordt ‘got’ over het algemeen weggelaten.

–> I have the flu (ik heb de griep).

–> I have got the flu.

Wil dit echter in de vragende vorm stellen, dan id er wel iets waar je op moet letten. In het eerste geval wordt do gebruikt om de zin vragend te maken. In het tweede geval, dus de zin met ‘got’, wordt have gebruikt om de zin vragend te maken.

–> Do I have the flu?

–> Have I got the flu?

Er zijn ook gevallen waarin ‘to have’ geen betekenis heeft, maar helpt de zin een bepaalde bedoeling/betekenis te geven:

I have played football for five years.
Hier helpt have (+ voltooid deelwoord) mee om een voltooide tijd te maken
I have to go.
Hier wordt have (+ to) gebruikt om een verplichting aan te geven: ik moet weg.
He had his hair cut.
Hier wordt ‘have’ (+ lijdend voorwerp + hele werkwoord) gebruikt om aan te geven dat iemand iets hebt laten doen: ik heb mijn haren laten knippen.

 

In het kort

To have is een onregelmatig werkwoord:

tegenwoordige tijd

verleden tijd

voltooide tijd

Enkelvoud

(1 persoon)

I have

I had

I have had

You have

You had

You have had

He/She/It has

He/She/It had

He/She/It has had

Meervoud

(meerdere personen)

We have

We had

We have had

You have

You had

You have had

They have

They had

They have had

 

dus: he/she/it has in de tegenwoordige tijd. Bij alle andere personen blijft de vorm hetzelfde: have in de tegenwoordige tijd, had in de verleden tijd en had als voltooid deelwoord.

To do wordt gebruikt als:

zelfstandig werkwoord om bezit of gewoonte aan te geven: He has a black beard.
hulpwerkwoord voor het maken van voltooide tijd: Do you work on Saturdays?
hulpwerkwoord om een verplichting aan te geven: I have to go.
hulpwerkwoord om aan te geven dat je iemand iets hebt laten doen: I had my hair cut

 

In het Brits-Engels wordt vaak got toegevoegd als have de betekenis van bezitten heeft. De vragende vorm is dan met have.

In andere Engelssprekende landen wordt got niet toegevoegd en is de vraagvorm met do.