Be is een werkwoord dat zich aan geen enkele regel houdt waar het het maken van een tegenwoordige, verleden tijd of voltooid deelwoord betreft. Je onthoudt het door het uit je hoofd te leren en/of veel te oefenen.

Dat je de verschillende vormen die bij de personen horen kent, is wel belangrijk. Het werkwoord be wordt vaak gebruikt om een bepaalde grammaticale constructie te maken.

 

De verschillende vormen

Tegenwoordige tijd

Verleden tijd

Voltooid deelwoord

I

am

was

been

You

are

were

been

He

is

was

been

She

is

was

been

It

is

was

been

We

are

were

been

You

are

were

been

They

are

were

been

 

Korte en lange vormen

In de tegenwoordige tijd kent het Engels een lange en een korte vorm. De lange vorm zie je in het schema hierboven. Bij de korte vorm worden in bevestigende zinnen de personen en het werkwoord be aan elkaar vastgeplakt en wordt de eerste letter van de vorm van be vervangen door een (apostrof).

Bij ontkennende zinnen wordt de vorm van be en not aan elkaar vastgeplakt en wordt de o van not vervangen door een(apostrof). Dit is dan echter weer niet het geval bij I. Deze volgt de regel van de korte vorm bij bevestigende zinnen en wordt not voluit geschreven.

In vraagzinnen worden in bevestigende vragen alleen de lange vormen gebruikt en in ontkennende vragen kunnen beiden.

In onderstaand schema wordt dit met voorbeelden nog eens herhaald.

Bevestigend
Lang Kort
I am I’m
You are You’re
He is He’s
She is She’s
It is It’s
We are We’re
You are You’re
They are They’re

 

Ontkennend
Lang Kort
I am not I’m not
You are not You aren’t
He is not He isn’t
She is not She isn’t
It is not It isn’t
We are not We aren’t
You are not You aren’t
They are not They aren’t

 

Vraag
bevestigend ontkennend
Am I? Am I not?
Are you? Aren’t you?
Is he? Isn’t he?
Is she? Isn’t she?
Is it? Isn’t it?
Are we? Aren’t we?
Are you? Aren’t you?
Are they? Aren’t they?

 

In de verleden tijd kunnen deze korte vormen ook, maar dan alleen in ontkennende zinnen.

I was not –> I wasn’t

Was I not? –>Wasn’t I?

Gebruik van ‘be’

Het werkwoord be kun je in meerdere functies in een zin tegenkomen.

Als zelfstandig werkwoord
–> I know this place. I have been here before.
Als koppelwerkwoord in een naamwoordelijk gezegde
–> I am a student.
Als hulpwerkwoord om aan te geven dat iets een tijdje voortduurt/voortduurde (continuous)
–> I am reading a book.
–> I was doing my homework.
Als hulpwerkwoord in de lijdende vorm (passive)
–> Leerdammer cheese is made in Leerdam.
Om een afspraak, een bevel of instructie aan te geven. Be wordt dan gevolgd door het hele werkwoord.
–> I am to meet him at 5:45 at the station.
–> By orders of the police, no one is to leave the crime scene.
–> He is to stay here until we return.

 

Voor nadere uitleg kun je bij de verschillende onderdelen kijken.