Karl Marx

Karl Heinrich Marx (Trier, 5 mei 1818 – Londen, 14 maart 1883) was een Duitse denker die belangrijke invloed heeft gehad op de (politieke) filosofie, de economie, de sociologie en de historiografie; hij was een van de grondleggers van de arbeidersbeweging en een centrale figuur in de geschiedenis van het socialisme. Marx woonde en werkte in Duitsland, Frankrijk, België, Nederland en Engeland. Hij had een bewogen leven, dat hij deelde met zijn vrouw Jenny von Westphalen en met zijn grote vriend Friedrich Engels, die hem – onder andere financieel – zijn hele leven heeft gesteund en die na de dood van Marx belangrijke werken van hem persklaar maakte.

Als Marx’ belangrijkste werk wordt meestal Das Kapital (of in het Nederlands: Het Kapitaal) beschouwd. Daarnaast is zijn Communistisch Manifest (met Engels) bekend.

Op het werk en de denkbeelden van Karl Marx (en Friedrich Engels) is het marxisme gebaseerd.

Biografie

Jeugd en studententijd

De jonge student Marx (1839)

Karl Heinrich Marx werd geboren op 5 mei 1818 in Trier als zoon van Heinrich Marx (1782 – 1838) en Henriette Presburg (haar zuster was getrouwd met Lion Philips, de grootvader van Gerard Philips en Anton Philips); overleden 1863).

Trier gold als de meest kosmopolitische streek van Duitsland, omdat het tot 1814 bij het Eerste Franse Keizerrijk had gehoord. In de streek heerste echter een economische terugval, door de slechte prestaties van de lokale wijngaarden. Een vierde van de bevolking leefde van de armensteun, en socialistische theorieën als die van Saint-Simon en Fourier vonden veel aanhang.

Marx’ ouders waren oorspronkelijk Joods en stamden beiden uit rabbijnengeslachten. Heinrich Marx heette voorheen Hirschel Mardochai, maar bekeerde zich tot het protestantisme en veranderde zijn naam omdat het, nadat het voordien tot Napoleons keizerrijk behorende Trier in 1815 bij het reactionaire Pruisen kwam, als jood voor Heinrich onmogelijk werd in staatsdienst te blijven werken. De bekering was voor vader Marx geen grote stap; hij was liberaal, beïnvloed door de Franse Revolutie, geen belijdend jood en achteraf waarschijnlijk ook geen belijdend christen. Karl groeide op in een gezin dat een zekere welstand genoot, maar niet echt rijk was.

Zijn geboortehuis is sinds 5 mei 1968 als museum ingericht: het Karl Marx-huis herbergt een permanente tentoonstelling, gewijd aan het leven en werk van Karl Marx.

Karl voltooit het gymnasium in Trier in 1835. Het voor zijn examen geschreven opstel “Beschouwing van een jongeling over de keuze van een beroep” is bewaard gebleven.

In oktober 1835 gaat Marx rechten studeren aan de universiteit van Bonn. Daar komt van studeren niet veel terecht omdat hij meer tijd besteedt aan het studentenleven. Na een jaar besluit Karl’s vader dat het beter voor hem is, in Berlijn te gaan studeren, aan de universiteit van Berlijn, die wat beter aangeschreven staat dan die van Bonn. Ondertussen verlooft Karl zich (aanvankelijk in het geheim) met Jenny von Westphalen. In Berlijn krijgt de jonge Marx meer belangstelling voor intellectuele zaken, en stapt hij over van rechten naar filosofie. Hij verdiept zich in de ideeën van Immanuel Kant en Johann Gottlieb Fichte, maar raakt vooral zeer sterk onder de invloed van Georg Hegel. Hegel zelf was in 1831 overleden, maar zijn filosofie beheerst de universiteit na zijn dood nog sterker dan bij zijn leven. Er tekenen zich onder zijn leerlingen verschillende stromingen af. Sommige zijn zeer conservatief (de Hegeliaanse filosofie gold in die tijd nog als de Pruisische staatsfilosofie), maar er zijn ook linkse leerlingen. Aan deze laatste, die wel de jong-Hegelianen genoemd worden, voelt Marx zich verwant: Bruno Bauer, Arnold Ruge. Zij zijn vooral kritisch wat betreft de religie.

Marx besluit om niet in Berlijn op zijn proefschrift te proberen te promoveren omdat het slecht ontvangen zou worden door zijn negatieve reputatie als jong-Hegeliaan. Hierdoor gaat Marx naar de Universiteit van Jena en promoveert daar in 1841 op “Het verschil tussen de natuurfilosofie van Democritus en van Epicurus”. Na het beëindigen van zijn studie verhuist Marx naar Bonn. Hij hoopt hier een aanstelling als universitair docent te krijgen. Dat lukt hem in het conservatieve Bonn echter niet. Marx wordt dan journalist.

1842 – 1843: Keulen, de Rheinische Zeitung
De Rheinische Zeitung (Rijnlandse Courant) was een radicaal-democratische krant die vanaf 1 januari 1842 in Keulen werd uitgegeven. Mozes Hess vraagt Marx medewerker te worden van het blad waar ook Bruno Bauer voor werkt. In oktober 1842 wordt Marx hoofdredacteur. De krant ontwikkelt zich tot spreekbuis voor jonge kooplieden, bankiers en industriëlen. Marx verhuist naar Keulen. De krant wordt steeds radicaler, de oplaag stijgt aanzienlijk, maar de censuur wordt ook steeds strenger. Op 1 januari 1843 wordt de krant verboden. Marx geeft zijn redacteurschap eraan, maar dat kan de krant niet meer redden en in maart 1843 wordt zij opgeheven. Marx publiceerde onder andere over de persvrijheid, de wetten inzake houtdiefstal en over de armoede van de wijnboeren in de Moezelstreek.

19 juni 1843 trouwen Jenny von Westphalen en Karl Marx, nadat ze elkaar al vanaf hun jeugd hadden gekend en zeven jaar verloofd waren geweest. Het huwelijk vindt plaats in Kreuznach. Daar blijven ze enkele maanden wonen.

Inmiddels heeft Marx kennisgemaakt met het werk van Ludwig Feuerbach. Vooral zijn in 1841 verschenen “Het wezen van het christendom” heeft belangrijk bijgedragen aan de ontwikkeling van het materialistische gezichtspunt bij Marx.

1843 – 1844: Parijs, de Deutsch-Französische Jahrbücher
Marx wordt gevraagd als redacteur van de Deutsch-Französische Jahrbücher (Duits-Franse Jaarboeken). Daartoe dient hij te verhuizen naar Parijs. In de herfst van 1843 arriveren Jenny von Westphalen en Karl Marx in Parijs.

Van de Jaarboeken zal slechts één (dubbel-)nummer verschijnen, in februari 1844. In dat nummer treffen we twee artikelen van de hand van Marx aan:

  • Karl Marx – Kritiek op Hegels rechtsfilosofie. Inleiding
  • Karl Marx – Het vraagstuk der Joden (Zur Judenfrage)
    Een bespreking van twee geschriften van Bruno Bauer over het vraagstuk der Joden.

In dat ene verschenen nummer van de Duits-Franse Jaarboeken zijn ook twee artikelen van Friedrich Engels opgenomen:

  • Friedrich Engels – Schets van een Kritiek der Politieke Economie (Umrisse zu einer Kritik der Nationalökonomie)
  • Friedrich Engels – Bespreking van Thomas Carlyle’s “Verleden en heden”

Tenslotte bevat het Jaarboek nog een aantal brieven van Marx.

De levenslange samenwerking tussen Karl Marx en Friedrich Engels heeft in dit Jaarboek voor het eerst vorm gekregen. Ze hadden elkaar in 1842 al ontmoet, maar die kennismaking was oppervlakkig gebleven. De “Schets” heeft mede Marx’ belangstelling voor de klassieke politieke economie aangewakkerd. Marx werkt tussen april en augustus 1844 aan zijn Parijse manuscripten (ook wel Economische en filosofische manuscripten), die een voorwerk vormden voor zijn latere economische werk. Deze zijn pas postuum gepubliceerd in 1932.

Tijdens zijn verblijf in Parijs maakt Marx voor het eerst uitgebreid kennis met de Franse socialisten. Théodore Dezamy maakt hem bekend met hun werken en bekeert hem in een paar maanden tijd tot het communisme.

De activiteiten en publicaties van Marx blijven niet onopgemerkt. Na een positief artikel over een een (mislukte) aanslag op Frederik Willem IV, dient Pruisen een aanklacht tegen Marx in wegens majesteitsschennis en hoogverraad en vraagt de Franse regering hem uit te wijzen.

1845 – 1847: Brussel, het Communistisch Manifest
Begin 1845 vertrekt Marx daarop naar Brussel. Hij schrijft een afscheidsbrief aan Heinrich Heine, met wie hij in Parijs vriendschap had gesloten, en doet afstand van zijn Pruisisch staatsburgerschap.

Een eerste gezamenlijk werk van de hand van Marx en Engels verschijnt in februari 1845: De Heilige Familie, een kritiek op Bruno Bauer en de zijnen. In hetzelfde jaar beginnen ze met het schrijven van De Duitse Ideologie – een kritiek op Feuerbach, Bruno Bauer en Max Stirner -, met daarin opgenomen de beroemde Stellingen over Feuerbach. Een uitgever wordt niet gevonden. De eerste volledige publicatie dateert van 1932.

In 1847 verschijnt “De armoede van de filosofie”, een kritiek op “De filosofie van de armoede” door Pierre-Joseph Proudhon. Anders dan de titel doet vermoeden is dit vooral een economische uiteenzetting, waarin de waardetheorie uitgebreid aan de orde komt. De arbeids(ver-)deling wordt besproken en de concurrentie. Het boek bevat ook een hoofdstuk over grondrente.

Eind 1847 vindt een bijeenkomst plaats van Bond der Rechtvaardigen (later: Bond der Communisten) in Londen. Engels is erbij aanwezig. Marx en Engels krijgen de opdracht een programma te schrijven: het op 21 februari 1848 verschenen Communistisch Manifest, dat als motto heeft: “Proletariërs aller landen, verenigt U!” De beroemde beginregel van dit Manifest luidt: “Een spook waart door Europa – het spook van het communisme.”

1848
1848 wordt wel “revolutiejaar” genoemd. In Frankrijk, Nederland, Italië en Oostenrijk breken opstanden uit. Marx gaat begin 1848 terug naar Parijs. In april gaat hij terug naar het Rijnland, waar hij zich in juni – samen met Engels – op de Neue Rheinische Zeitung (de Nieuwe Rijnlandse Courant) stort. In mei 1849 verschijnt het laatste nummer van de Neue Rheinische Zeitung, in vlammend rood.

Na zijn steun te hebben betuigd aan de Parijse februarirevolutie in de Deutsche Brüsseler Zeitung wordt Marx gearresteerd wegens ordeverstoring en opnieuw uitgewezen. Hij gaat nog even terug naar Parijs, maar vertrekt in 1850 naar Londen.

1850: Londen
De rest van zijn leven zal Marx in Londen wonen. Hij stort zich op zijn economische studies, in de leeszaal van het British Museum. Financieel gaat het hem lange tijd erg slecht: in maart 1850 wordt hij met zijn gezin met vier kleine kinderen uit zijn woning gezet en worden zijn bezittingen verbeurd verklaard. In 1851 werkte hij kortstondig voor de New York Herald Tribune. Pas eind zestiger jaren worden de financiële zorgen wat minder.

Zijn vrouw Jenny heeft hem bij zijn activiteiten altijd loyaal ondersteund en verrichtte vaak ook secretaressewerkzaamheden voor hem. Hun huwelijksleven was echter niet vrij van spanningen. Het gezin leefde in armoedige omstandigheden, ook al kwam Marx’ vriend Friedrich Engels niet zelden te hulp als de nood heel hoog werd. Drie van de zeven kinderen overleden al op jonge leeftijd.

De verhouding tussen de twee echtelieden werd er niet beter op toen Marx een buitenechtelijk kind verwekte, een zoon genaamd Frederick (1851-1929), bij de uit Duitsland met het gezin meegekomen inwonende dienstbode Helene Demuth. Of hij werkelijk vader was van het kind is overigens omstreden.

Ondertussen verschijnen:

  • 1850: De Klassenstrijd in Frankrijk – een historisch materialistische interpretatie van de gebeurtenissen in het revolutiejaar.
  • 1852: De Achttiende Brumaire van Lodewijk Napoleon – eveneens een onderzoek van de periode 1848 tot 1851 in Frankrijk.
  • 1859: Bijdrage aan de kritiek der politieke economie (Zur Kritik der Politischen Őkonomie) – een voorstudie voor Het Kapitaal, met het bekende voorwoord en de veelgeciteerde inleiding.

Politiek brengt Marx een aantal jaren in betrekkelijke afzondering door. Aan dit isolement komt pas een einde met de oprichting van de International Working Men’s Association op 28 september 1864 (later bekend onder de naam: Eerste Internationale).

In 1867 verschijnt eindelijk het eerste deel van Das Kapital (Het Kapitaal), Marx’ “magnum opus”. De volgende delen zullen niet meer tijdens Marx’ leven verschijnen.

De laatste jaren
Gedurende de jaren na 1867 verschijnen nog enkele belangrijke werken, waaronder in 1871: De Burgeroorlog in Frankrijk.

In 1872 woont Marx het congres van de Internationale in Den Haag bij.

Pas in 1970 wordt de volledige tekst gepubliceerd van een stuk dat Marx in 1875 schreef naar aanleiding van de oprichting van de Duitse sociaaldemocratische partij: de Kritiek op het Program van Gotha.

Als op 2 december 1881 zijn vrouw Jenny overlijdt, is Marx zelf te ziek om haar begrafenis bij te wonen. Friedrich Engels spreekt aan haar graf:

“Ik behoef niet van haar persoonlijke eigenschappen te spreken. Haar vrienden kennen haar en zullen haar niet vergeten. Zo er ooit een vrouw geweest is, wier grootste geluk het was, anderen gelukkig te maken, dan was het deze vrouw.” En Engels voelde het goed aan toen hij op die sterfdag van Jenny Marx zei: “De Moor is ook gestorven” (“De Moor” was een bijnaam van Marx).
Marx' graf te Londen. De kop is een latere toevoeging.

Marx’ graf te Londen. De kop is een latere toevoeging.

Op 11 januari 1883 overlijdt plotseling Marx’ dochter Jenny. Die klap komt hij niet meer te boven: op 14 maart overlijdt Karl Marx. Toen de huisvrouw aan Marx op zijn sterfbed vroeg wat zijn laatste woorden waren, antwoordde die: “Maak dat je wegkomt, laatste woorden zijn voor idioten die nog niet genoeg gezegd hebben!”. Op 17 maart wordt hij bijgezet in het graf op ‘Highgate’, aan de noordkant van Londen. Ook nu spreekt Engels aan het graf:

“….Want Marx was voor alles revolutionair. Mede te werken, op deze of gene wijze, aan den val van de kapitalistische maatschappij en de door haar geschapen staatsinrichtingen, mee te werken aan de bevrijding van het moderne proletariaat, aan wie hij het eerst het bewustzijn van zijn eigen positie en zijn behoeften, het bewustzijn van de voorwaarden voor zijn bevrijding gegeven had – dat was zijn werkelijke roeping. De strijd was zijn element. En hij heeft gestreden met een hartstocht, een taaiheid, een succes als weinigen…..”
“En daarom was Marx de meest gehate en meest belasterde man van zijn tijd. Regeringen, absolute zowel als republikeinse, wezen hem uit, bourgeois, conservatieve en uiterst-democratische, logen als om strijd hun lasteringen over hem. Hij schoof dat alles opzij als spinrag, sloeg er geen acht op en antwoordde slechts als er volstrekte noodzaak bestond. En hij is gestorven, vereerd, bemind, betreurd door miljoenen revolutionaire medearbeiders, die van de Siberische mijnen af over heel Europa en Amerika tot in Californië toe wonen en ik kan het ronduit zeggen: hij had wellicht nog menige tegenstander, maar nauwelijks nog één persoonlijke vijand.”
“Zijn naam zal door de eeuwen voortleven en zo ook zijn werk.”

Oorsprong van Marx’ denken

Marx’ denken beslaat uiteenlopende gebieden: filosofie, geschiedenis, politiek en economie. Daarnaast is het van grote invloed geweest op de latere ontwikkeling van de sociologie. In zijn werk integreerde Marx op originele wijze de gedachten van diverse grote denkers vóór hem. Marx zelf stelde al zijn filosofische en wetenschappelijk werk in dienst van één politiek-filosofisch doel: de bevrijding van de onderdrukte klassenvervreemding die dit systeem in stand houdt. in het kapitalisme, en daarmee de opheffing van de

Hegel
Marx’ vroege werk betreft vooral filosofie, en is sterk beïnvloed door het denken van Hegel, later dialectiekVerlichting en romantiek, en stelde daarbij het verloop van de geschiedenis centraal: deze is volgens hem het ontvouwen van de rede, die hij als een reële, transcendente kracht beschouwde. De geschiedenis van de rede voltrekt zich bij Hegel in stadia van langzame kwantitatieve groei, onderbroken door dialectische sprongen, waarin kwalitatieve verandering optreedt. Elke nieuwe kwaliteit draagt echter de kiemen van haar eigen ondergang in zich, en zal hierdoor uiteindelijk opgeheven worden. genoemd. Hegel combineerde

Deze filosofie krijgt een politieke neerslag in de ontwikkeling van de staat. Deze is, volgens Hegel, een afspiegeling van de rede en de belichaming van de wet. De laatste grote dialectische sprong was de Franse Revolutie geweest, die voor het eerst politieke vrijheid had gebracht. Deze had echter de kiemen in zich gedragen van de Terreur, die op de grenzen van de vrijheid had gewezen. Het beste bewind, volgens Hegel, was een compromis van vrijheid en repressie. Hij vond dit compromis, en daarmee de culminatie van de wereldgeschiedenis, in de Duitse natie en de staat Pruisen. De paradox in Hegels denken tussen enerzijds vooruitgang als centraal begrip en anderzijds het “einde van de geschiedenis” bij de repressieve Pruisische staat verdeelde zijn volgelingen in de liberale jong- of links-Hegelianen en de conservatieve oud- of rechts-Hegelianen.

Marx verwierp volledig de metafysische en mystieke elementen in Hegels filosofie. Voor hem bestond er geen rede onafhankelijk van het menselijk subject, waarmee hij zich een seculiere humanist betoont:

“De geschiedenis is niet iets als een individueel persoon dat mensen gebruikt om zijn doelen te bereiken. De geschiedenis is niets anders dan de daden van mensen die worden gebruikt om hun doeleinden te bereiken.”
Marx en Engels, De heilige familie, 1845

Materialisme
Marx’ denken wordt vaak materialistisch en deterministisch genoemd, hoewel dit niet geheel accuraat is, want hij was geen monist: Marx erkende het bestaan van de menselijke geest naast het stoffelijke. Al in zijn proefschrift, waarin hij de natuurfilosofie van Epicurus en Democritus vergeleek, had hij een positiever oordeel over de eerste, omdat alleen die een ruimte voor vrije wil openliet in zijn atomentheorie. Later verwierp hij de theorie van Karl Vogt, die inhield dat al het menselijk handelen te verklaren zou zijn als een complex biochemisch proces.

Wel had het materialisme sterke invloed op Marx, maar hij kritiseerde de vaandeldragers ervan scherp, inclusief de jong-Hegelianen in zijn Stellingen over Feuerbach en De Duitse ideologie (met Engels). Marx deelde Feuerbachs analyse van de religie als vervreemding, maar wierp hem en de andere materialisten voor de voeten dat zij geen revolutionaire consequenties uit hun gedachten trokken:

“De filosofen hebben de wereld slechts verschillend geïnterpreteerd; het komt er op aan haar te veranderen.”
Marx, Stellingen over Feuerbach, 1845

Forschung en Darstellung
Marx schiep een synthese van Hegel, Feuerbach en de oude materialisten, en plaatste zichzelf zo buiten beide stromingen. Zijn filosofie was origineel in haar nadruk op de creativiteit van menselijke arbeid en gedrag in het algemeen. Marx “draait Hegel om” door de menselijke activiteit als motor van de geschiedenis te zien, en niet andersom.

“Die Dialektik steht bei ihm [Hegel] auf dem Kopf. Man muß sie umstülpen, um den rationellen Kern in der mystischen Hülle zu entdecken.”
Marx, Das Kapital. Band I, 1873.

Over Marx’ relatie met Hegels dialectiek bestaan verschillende opvattingen: de traditionele marxistische lezing, gebaseerd op het bovenstaande citaat en andere passages in het nawoord van de Engelse uitgave van Das Kapital, is dat zijn filosofie slechts dialectisch is in presentatie. Marx stond in een lange Duitse traditie die onderscheid maakte tussen Forschung, onderzoek, en Darstellung, presentatie. Zijn onderzoek, vooral voor zijn economische werk, was sterk empirisch van karakter, maar hij presenteerde de resultaten ervan in Hegels termen om de weg te wijzen naar verandering, naar een neue Darstellung. Marx schreef zelf dat de hegeliaanse Darstellung diende als eerbetoon aan zijn oude leermeester Hegel, die naar zijn idee in de jaren 1870 niet het respect kreeg dat hij verdiende: hij werd als een ‘dode hond’ behandeld, voor Marx aanleiding om met Hegels uitdrukkingswijze te “koketteren”.

Het idee van klassenstrijd in het bijzonder moet dan niet gezien worden als een materialistische vertaling van economische conflicten in Hegels kader. Deze ontleende Marx, zoals hij zelf aangaf, aan historici als Guizot en Thierry, en aan economen als Smith en Ricardo.

Is deze lezing correct, dan doet zich hier een verschil voor tussen Marx en Engels: waar Marx dialectiek zag als een instrument in de analyse van sociale verhoudingen, hield Engels er mogelijk andere ideeën op na. Diens precieze opvatting over de status van dialectiek als ‘wetmatigheid’ blijft open voor interpretatie.

Een andere opvatting is dat Marx veel sterker door Hegel beïnvloed was dan hij zelf wilde toegeven. Zijn distantiëring van Hegel zou dan een manier zijn om aan kritiek, inclusief zelfkritiek, te ontsnappen.

Vervreemding
Vervreemding is een concept van Hegel. De Jong-Hegelianen namen dit concept over, met name Feuerbach, en Marx bouwde daarop voort. Hij veranderde het echter van een filosofisch fenomeen, waar individuen direct invloed op hebben, in een sociaal fenomeen. Bij Marx treedt vervreemding (Entfremdung of Entäusserung) op wanneer het product van arbeid niet eigen is, in economische zin: arbeid wordt in het kapitalisme verkocht als een waar, waarna het product wordt onteigend door de kapitaalbezitter, die de meerwaarde als winst incasseert of herinvesteert. Arbeid geeft dan geen bevrediging meer, geen idee van controle over de materie.

De vervreemding uit zich in de aanbidding van een zelf geschapen macht buiten de mens, zij het in de vorm van religie (zoals bij Feuerbach; de “opium van het volk“) of als warenfetisjisme.

In latere jaren zou Marx kiezen voor preciezere en politiek effectievere termen als “uitbuiting”.

Claude Henri de Saint-Simon

Saint-Simon
Saint-Simon was midden jaren 1840, bijna twintig jaar na zijn dood, nog altijd de belangrijkste socialist van Frankrijk, en had grote invloed op Marx. Het was Moses Hess die Marx, op dat moment nog radicaal-liberaal maar teleurgesteld in Feuerbach, wees op het belang van de Franse socialisten. Mogelijk was Marx ook in zijn jeugd al in aanraking gekomen met de ideeën van de saint-simonisten, aangezien die rond Trier zo talrijk en actief waren dat de plaatselijke aartsbisschopketterij op te treden. zich gedwongen zag tegen hun

In Saint-Simons theorie spelen industrie en wetenschap een belangrijke rol bij de vestiging van de heerschappij van de industriële bourgeoisie, die volgens hem de feodale orde volledig zou vervangen. Dit zag hij ook als de oorzaak van de Franse Revolutie. Marx trok de lijn door tot de val van het kapitalisme door de opkomst van het klassenbewustzijn van de arbeiders. Hij had echter ook kritiek op Saint-Simon, omdat die als productieve klasse allen beschouwt die werken, bezitters en bezitlozen gelijk. Engels prijst Saint-Simon later om zijn inzicht, al in 1802, dat de Franse Revolutie een klassenstrijd was geweest.

De Engelse klassieke economen
Vanaf zijn ontmoeting met Engels in 1844 begon Marx zich onder diens invloed steeds meer te verdiepen in de economie. Al in de Parijse manuscripten van dat jaar zijn vele verwijzingen naar The Wealth of Nations te vinden. Ook had Marx sporadisch Ricardo gelezen, die een grote invloed zou worden, en Mill. Vrijwel al het empirische bewijs dat hij later, in ballingschap te Londen, gebruikte, was eveneens afkomstig uit Engelse bronnen: met name het financiële gedeelte van The Economist en de rapporten van de Royal Commissions of Inquiry. De auteurs na Ricardo beschouwde Marx echter als te ideologisch en te weinig objectief.

In tegenstelling tot zijn voorgangers integreerde Marx economie en sociale omstandigheden. Smith en Ricardo hadden eerder de neiging om deze te proberen te scheiden. Marx nam Ricardo’s idee van drie klassen (grondbezitters, kapitaalbezitters en arbeiders) over en gebruikte deze in Das Kapital. Ricardo zag overigens, in zijn latere werk, wel de negatieve sociale gevolgen van industrialisering in. Hij werd daarop door liberalen aangevallen omdat hij klassenstrijd zou aanwakkeren.

Zijn economisch onderzoek overtuigde Marx van de mogelijkheid tot vooruitgang: de voortschrijdende technologie dreef de arbeidsproductiviteit tot zulke hoogten dat in ieders noden voorzien kon worden. Socialisme of communisme, de heerschappij van de arbeiders, was nodig om tot de juiste verdeling te komen. De politieke omwenteling had echter uiteindelijk nog steeds tot doel de vervreemding op te heffen.

Klassenstrijd
Om de vervreemding/onteigening op te heffen moet de arbeidersklasse volgens Marx een strijd voeren die uitmondt in een socialistische revolutie. Daarop moeten zij een dictatuur van het proletariaat stichten, de kapitalisten onteigenen en de meerwaarde sociaal verdelen. De vervreemding wordt hierbij opgeheven omdat de sociale verdeling recht doet aan de sociale aard van arbeid: geen mens produceert alleen en voor zichzelf in een industriële maatschappij.

De proletarische staat sterft vervolgens af om plaats te maken voor een bezitloze en stateloze maatschappij: het communisme. Marx verwachtte een zodanige toename van de productiviteit door verdere industrialisatie dat alle leden van de maatschappij in principe in overvloed zouden kunnen baden.

Het marxisme is een levensbeschouwing die voortbouwt op de ideeën van Karl Marx. Het is een theorie over filosofie, economie en politiek en vormde de grondslag voor de ideologie van de arbeidersbeweging. Vrijwel iedereen zal erkennen dat de invloed van deze theorieën enorm is geweest, ook al zijn er heel verschillende opvattingen over de vraag of deze invloed – in balans genomen – heilzaam of rampzalig is geweest.

Marx heeft bij de ontwikkeling van zijn filosofische denkbeelden onder meer invloed ondergaan van de dialectiek van Georg Hegel, de economische inzichten van Adam Smith, de atheïstische denkbeelden van Ludwig Feuerbach en de ideeën van de Franse socialisten van de eerste helft van de 19e eeuw, zoals Proudhon en Saint-Simon, welke door Marx, die weinig respect had voor mensen die met hem van mening verschilden, overigens geringschattend “utopische socialisten” werden genoemd.

Deze invloeden verwerkte Marx op “dialectische” wijze: als “these” die hij met zijn “antithese” beantwoordde. Daardoor heeft Marx ook scherpe kritiek op met name Hegel: die ging er in zijn dialectiek van uit dat ideeën de geschiedenis van de mens bepalen (‘idealistische filosofie’), terwijl Marx van mening was dat deze ideeën niet van fundamentele betekenis waren, maar afgeleid waren van ‘materialistische’ verhoudingen, namelijk de door de mens ontwikkelde productie en de daaruit voortvloeiende productieverhoudingen (bijvoorbeeld tussen loonarbeid en kapitaal). “Bewustzijn is bewust zijn”, schreef hij, of anders gezegd: “De mens maakt wel zijn eigen geschiedenis, maar niet onder zelfgekozen verhoudingen.” Dat denken paste hij toe op de sociale vraagstukken van zijn tijd.

Nog fundamenteler was Marx’ kritiek op Adam Smith, die van mening was dat het “vrije spel der maatschappelijke krachten” uiteindelijk voor iedereen de beste resultaten zou opleveren. Marx was ervan overtuigd dat grote delen van de bevolking hierbij aan het kortste eind zouden trekken. Hij was van mening dat aan het proletariaat (degenen die in loondienst zijn, en die dus met hun arbeid de winst produceren) ook de winst (of nauwkeuriger gezegd de “meerwaarde”) moest toevallen. Alleen zo zouden deze werkelijke producenten meester kunnen worden van de productiemiddelen, die door het eigendom van de kapitaalbezitters nu als vreemde, onteigende (“vervreemde”) macht boven hen staan en hen zo beheersen. De kapitaalbezitters bezitten door die “uitbuiting” (toe-eigening van “meerwaarde”) de kapitaalgoederen zoals: machines, fabrieken, maar ook de (landbouw)grond enz.: de productiemiddelen die nodig zijn om onze bestaansmiddelen voort te brengen. Marx vond dat het proletariaat in opstand moest komen om de politieke en economische macht weer bij het volk te brengen. Daarvoor was een revolutie nodig, waarin de proletariërs (met organisatorische steun van hen welgezinde intellectuelen) de macht zouden overnemen van de kapitaalbezitters. “Proletariërs aller landen verenigt u”, dat waren zijn belangrijkste woorden. Vecht voor een klasseloze maatschappij, aldus Marx.

Marx was verder van mening dat het kapitalisme “zijn eigen grafdelver” zou zijn, doordat het – vanwege de tendens tot vorming van supergrote ondernemingen en monopoliën – in rap tempo de middenklasse van kleine ambachtslui en winkeliers zou vernietigen, die tot dusverre een belangrijke steunpilaar vormde voor de feodale en kapitalistische heersende klasse, omdat zij net als de boven haar gestelde klassen beducht was voor het proletariaat.

Marx was van mening dat de “burgerlijke samenleving” uiteindelijk omver zou worden geworpen door een “Revolutie van het proletariaat” en dat er daarna een “klasseloze samenleving” zou komen.

Hoe Marx zijn ideeën uitdroeg
Om zijn ideeën over een ruim publiek uit te dragen, schreef Marx daarover een aantal boeken en pamfletten. De bekendste twee daarvan zijn: Das Kapital en het Communistisch Manifest.

Medeauteur van het Communistisch Manifest was Friedrich Engels, die ook na Marx’ dood de laatste twee delen van Das Kapital zou redigeren. Het Manifest is bedoeld als politiek programma voor de arbeidersbeweging, in het algemene Europese Revolutiejaar 1848 uitgegeven door de Bond der Communisten. Das Kapital bestaat uit drie forse delen en is een analyse van de veronderstelde economische wetten van het kapitalisme en de (sociale) gevolgen daarvan. In het Communistisch Manifest wordt de geschiedenis geanalyseerd als bepaald door klassenstrijd en wordt de kapitalistische kapitaalsaccumulatie geanalyseerd. Dit welbewust opruiende pamflet heeft als belangrijkste conclusie: de productiemiddelen moeten onder controle van de hele maatschappij worden gebracht in plaats van die van een steeds verder slinkende groep kapitalisten, die ieder voor zich over steeds groeiende vermogens beschikken. Daarvoor moeten de arbeiders zich organiseren om macht over de regering te krijgen.

In de vraag hoe de arbeiders deze productiemiddelen zouden moeten beheren, verdiepte Marx zich nauwelijks. Hij vond dat een detailkwestie, die wel geregeld kon worden wanneer de arbeiders eenmaal de macht in handen zouden hebben. Als voorbeeld van de daartoe noodzakelijke dictatuur van het proletariaatParijse Commune. beschouwde Marx de

Karl Marx heeft Engels leren kennen toen Marx in Parijs bij het tijdschrift Die Deutsch Französische Jahrbücher werkte en een spottend artikel schreef over de politiek in Frankrijk. Engels reageerde op dit stuk en zo zijn ze vrienden voor het leven geworden.

Literatuur en links

Recente Nederlandstalige literatuur over Marx

Onderstaande (algemene) werken over Marx zijn in elke boekhandel verkrijgbaar:

  • Peter Singer – Marx
    in de reeks “Kopstukken van de Filosofie” van uitg. Lemniscaat (in samenwerking met Oxford University Press), Rotterdam 1999
    Inleiding op het denken van Marx uit 1980, door de filosoof Singer. In dit werk is veel plaats ingeruimd voor een uiteenzetting van Marx’ theorie van de vervreemding. Dat hangt samen met het feit dat Singer sterk de nadruk op de betekenis van Marx als filosoof legt, eerder dan als econoom of socioloog.

Wat oudere Nederlandstalige bronnen

Enkele belangrijke werken over Marx die alleen nog tweedehands te krijgen zijn:

  • Franz Mehring – Karl Marx, geschiedenis van zijn leven
    Eén van de eerste uitgebreide biografieën over Marx. De eerste uitgave (in het Duits) verscheen in 1918. De Nederlandse vertaling van 1923 was van de hand van Jan Romein. Verschillende herdrukken (onder andere: Socialistische Uitgeverij Nijmegen 1975).
    Nog steeds zeer lezenswaardig.
  • Ger Harmsen – Marx contra de marxistische ideologen
    Den Haag, eerste druk 1968, tweede druk 1972
    Ger Harmsen was één van de grootste kenners van Marx in het Nederlands taalgebied in de tweede helft van de twintigste eeuw. Deze bundel artikelen bevat een aantal hoofdstukken die nog steeds heel leesbaar zijn.
  • Jevgenia Stepanova – Marx, biografische schets
    Uitgeverij Progres, Moskou 1988
    een aardig geïllustreerd, maar nogal propagandistisch werk.

Nederlandse vertalingen van het werk van Marx

Uitgeverij L.J.C. Boucher (Den Haag) heeft in de reeks “Manifesten” verschillende delen uitgebracht met teksten van Marx (en Engels):

  • Karl Marx – Klassieke teksten (1968)
    Vertalingen door J. de Reus en Herman Gorter van: Kritiek op Hegels rechtsfilosofie. Inleiding, Het vraagstuk der Joden, Het Communistisch Manifest, Voorwoord bij de Kritiek der Politieke Economie en delen uit Het Kapitaal.
  • Karl Marx – Parijse Manuscripten, en andere filosofische geschriften (1969)
    Geselecteerd door Erich Fromm; vertaling: Paul Rodenko.
    Voornamelijk delen uit de ‘Economisch-filosofische manuscripten’ van 1844. Te lezen in combinatie met: Erich Fromm – Marx visie op de mens (in dezelfde reeks; 1968)

Bij de SUN (Socialistische Uitgeverij Nijmegen) verscheen onder andere:

  • De Duitse Ideologie

In Moskou werden in de Sovjet-tijd (bij de uitgeverij Progres) een aantal werken van Marx (en Engels) in Nederlandse vertaling uitgegeven, onder andere:

  • Karl Marx – De armoede van de filosofie (1986)

Uitgeverij Pegasus in Amsterdam (de uitgeverij van de gewezen Communistische Partij van Nederland, CPN) bracht ook een groot aantal werken in Nederlandse vertaling uit, vaak in samenwerking met uitgeverij Progres in Moskou

Uitgeverij EPO gaf in 1998 ter gelegenheid van 150 jaar Communistisch Manifest, in de reeks Marxistische Studies, als nr 41, het Communistisch Manifest opnieuw uit, met een historische toelichting van Ludo Martens: “Het Communistisch Manifest – Het Manifest, 150 jaar jong in een geschiedenis die meet met eeuwen” ISBN 90-6445-078-1

Voor (tamelijk) recente en oudere Nederlandstalige uitgaven van Het Kapitaal zie wikipedia

Externe links

Van belang zijn de volgende Nederlandstalige bronnen op Internet: