Joseph Alois Schumpeter (8 februari 1883 – 8 januari 1950) was een Oostenrijks econoom (maar geen lid van de Oostenrijkse School van economen).

Hij werd geboren in Triesch (toen onderdeel van Oostenrijk-Hongarije, nu in de Tsjechische Republiek), ging studeren onder de Oostenrijkse econoom Eugen von Böhm-Bawerk en werd in 1909 professor in de antropologie aan de universiteit van Czernowitz (toen eveneens Oostenrijks, thans Oekraïne) en bekleedde die positie van 1911 tot 1921 aan die van Graz. Van 1919 tot 1920 was hij Oostenrijks Minister van Financiën; van 1920 tot 1924 President van de Biederman Bank. Van 1925 tot 1932 had hij een leerstoel aan de Universiteit van Bonn maar moest Europa ontvluchten vanwege de opkomst van de nazi’s. Hij verhuisde naar Harvard, waar hij van 1932 tot 1950 onderwees.

Schumpeters populairste boek is waarschijnlijk Capitalism, Socialism, and Democracy, waarin hij de theorieën van Karl Marx behandelt. Schumpeter staat sympathiek tegenover Marx’ analyse, maar concludeert dat kapitalisme door socialisme vervangen zal worden om andere redenen dan Marx doet. In dit boek presenteert Schumpeter ook zijn beroemde concept van creatieve vernietiging, wat inhoudt dat oude manieren van werken en oude structuren telkens vervangen worden door nieuwe.

Belangrijkste werken

De geschiedenis van de economische analyse

Schumpeters grote kennis komt tot uiting in zijn postuum verschenen Geschiedenis van de Economische Analyse. Sommige van zijn oordelen zijn wel enigszins idiosyncratisch, bijvoorbeeld zijn mening dat niet Adam Smith, maar Turgot de belangrijkste 18de eeuwse econoom was. Schumpeter bekritiseerde John Maynard Keynes en David Ricardo voor de “Ricardiaanse zonde”. Volgens Schumpeter redeneerden Ricardo en Keynes in termen van abstracte modellen, waar zij alle variabelen bevroren en dus buiten beschouwing lieten, behalve die paar variabelen, waar zij een punt wilden maken, waarna zij vervolgens gemakkelijk konden aantonen dat de ene variabele de andere zou veroorzaken. Dit leidde tot het volgens Schumpeter heilloze geloof dat men gemakkelijk beleidsconclusies zou kunnen trekken uit abstracte theoretische economische modellen.

Schumpeter en het Keynesianisme

In Schumpeters theorie volstaat de Walrasiaanse evenwichtstheorie niet om de sleutelmechanismen van de economische ontwikkeling te beschrijven. Schumpeter was van mening dat een goed ontwikkeld financiëel systeem, waaronder een hele reeks van instituties met betrekking tot de kredietverlening, het een “entrepeneur” mogelijk maakt om zijn “ideeën” te realiseren door alle benodigde “productiemiddelen” in te kopen. Men ken een onderscheid maken tussen economen die de nadruk leggen op de “reële” wereld en die geld beschouwen als niet meer dan een smeermiddel om de boel draaiende te houden en economen die monetaire instituties belangrijk vinden, omdat monetaire ontsporingen ook gevolgen hebben in de “reële” wereld. Zowel Schumpeter als Keynes vallen in de laatste categorie. Desondanks verwierp Schumpeter, die een klassiek liberaal was, het keynesianisme.