David Ricardo

David Ricardo (18 april 1772 – 11 september 1823) was een BritsThomas Malthus en Adam Smith was één van de invloedrijkste klassieke economen. Zijn grote kracht ligt in zijn rigoureuze betoogtrant en in het consequent hanteren van abstracties. Deze deductieve methode, het nagaan van de relaties tussen economische grootheden onder sterk vereenvoudigde veronderstellingen, neemt sinds Ricardo een centrale plaats in de denkwijzen van de economie in. econoom. Hij wordt gezien als één van de eerste systeembouwers in de economie. Samen met

Biografie

David Ricardo werd op 18 april 1772 in Londen geboren als derde kind van Abraham Ricardo (1738-1812) en Abigail Delvalle. Rond 1650 waren zijn voorouders, waarschijnlijk (schijn-christenen), uit Spanje via LivornoAmsterdam geëmigreerd, waar zij hun Joodse geloof openlijk mochten belijden. Het was daar dat zijn grootvader Joseph Israel Ricardo in 1699 werd geboren. Zijn vader, Abraham Ricardo, vertrok in 1760 naar Londen, waar hij in 1769 trouwde met Davids moeder, Abigail. Zijn vader stuurde hem in 1783 op 11-jarige leeftijd naar Nederland om er Nederlands, Frans en Spaans te leren, maar naar eigen zeggen was hij zo ongelukkig van zijn familie gescheiden te zijn, dat hij er alleen Nederlands leerde. Op zijn 13de teruggekeerd in Londen kreeg Ricardo privé-lessen en een gewone schoolopleiding. Op zijn veertiende startte hij in het beursbedrijf van zijn vader op de London Stock Exchange. Daar leerde hij de fianciële wereld kennen, de basis voor zijn succes op de beurs en in de vastgoed wereld. Op zijn 21ste verwierp Ricardo het orthodoxe jodendom van zijn familie en trouwde met Priscilla Anne Wilkinson, die quakerschutilitarisme. In de twintig jaar daarna was hij werkzaam als zakenman, financier en speculator en bouwde hij een aanzienlijk vermogen op. naar was opgevoed. Zijn vader en moeder namen dit niet goed op en spraken nooit meer met hem. In deze tijd werd Ricardo ook een aanhanger van het

Ricardo raakte geïnteresseerd in de economie, nadat hij in 1799 Adam Smith’s The Wealth of Nations had gelezen, terwijl hij op vakantie was in de Engelse toeristenplaats Bath. Dit was Ricardo’s eerste contact met de economische wetenschap. In 1809 begon hij zelf te publiceren. Ricardo’s werk aan de Londense beurs zorgde er voor dat hij in 1814 met pensioen kon gaan. Hij kocht het buiten, Gatcombe Park in Gloucestershire om zich van daaruit aan de politiek en economie te wijden. In 1819 nam Ricardo plaats in de Lagerhuis als een parlementslid voor Portarlington, een Ierse rotten borough. Hij hield deze zetel tot zijn overlijden in 1823 aan een middenoorontsteking. In 1846 ijverde zijn neef, John Lewis Ricardo, het parlementslid voor Stoke-on-Trent, voor vrijhandel en de afschaffing van de Graanwetten.

Ricardo raakte rond 1810 nauw bevriend met James Mill, die zijn politieke ambities en zijn publicaties over de economie aanmoedigde. Andere bekende vrienden waren Jeremy Bentham en Thomas Malthus, met wie Ricardo (in correspondentie) een uitgebreid debat voerde over zaken als de rol die landeigenaarrs in de Britse maatschappij dienen te spelen. Hij was ook lid van de ‘London’s intellectuals’ en werd later ook lid van Malthus ‘Political Economy Club‘ en de ‘King of Clubs’.

Comparatieve kostenverschillen

Ricardo’s bekendste werk is zijn Principles of Political Economy and Taxation uit (1817). Het boek geeft een verklaring voor de internationale handel aan de hand van de theorie van het comparatief voordeel. Daarmee verklaart hij de internationale handel. Ricardo zet zich daarbij af tegen de theorie van de absolute kostenverschillen van Adam Smith door te betogen dat het niet om de absolute, maar om de relatieve kostenverschillen gaat. Volgens Ricardo’s theorie kan een land altijd voordeel plukken uit specialisatie, ook als dit land in staat zou zijn om alle producten efficiënter te produceren dan een ander land. Ook in dat geval is een land toch beter af zich te specialiseren in die producten, waar men het beste in is en daarin handel te drijven met andere landen (Case & Fair, 1999: 812–818). Hij illustreert zijn theorie door middel van een eigentijds voorbeeld, de handel tussen Engeland en Portugal, zoals deze er in het begin van de 19de eeuw uitzag.

Engeland Portugal totaal
textiel 90 arbeidseenheden 90 arbeidseenheden 180 arbeidseenheden
wijn 100 arbeidseenheden 80 arbeidseenheden 180 arbeidseenheden
totaal 190 arbeidseenheden 170 arbeidseenheden 360 arbeidseenheden

Portugal heeft hier een absoluut voordeel van 20 arbeidseenheden. Dit is op te maken uit het verschil van 190 en 170. Een efficiëntere verdeling van de arbeidseenheden zal optreden wanneer beide landen hun productie verdubbelen van het goed met het relatief voordeel. Hierbij gaat hij er vanuit dat een verdubbeling van de productie evenredig is aan het aantal arbeidseenheden. In Engeland kost een verdubbeling van de wijn 100 arbeidseenheden. In Portugal staan er hier 80 tegenover. Het is dus relatief duurder voor Engeland om wijn te verdubbelen. Hierdoor kunnen ze beter de arbeidseenheden overhevelen naar de textielindustrie. Als gevolg zal Portugal de productie van wijn verdubbelen om zo de vraag te voorzien.

Zijn voorstel was dan ook om de markt als volgt in te delen:

Engeland Portugal totaal
textiel 180 arbeidseenheden 0 arbeidseenheden 180 arbeidseenheden
wijn 0 arbeidseenheden 160 arbeidseenheden 160 arbeidseenheden
totaal 180 arbeidseenheden 160 arbeidseenheden 340 arbeidseenheden

Nu is dus te zien dat voor dezelfde productiviteit van artikelen 10 arbeidseenheden minder per land nodig zijn. De bespaarde 20 arbeidseenheden binnen dit simpele model van internationale handel kunnen gebruikt worden de welvaartspositie te verbeteren.

Ricardo’s waardentheorie van de productiekosten

Ricardo begint het eerste hoofdstuk van zijn Principles of Political Economy and Taxation met een uiteenzetting over de theorie van de waarde van arbeid. Later toont hij aan dat de prijs van arbeid, het loon, niet overeenkomt met zijn waarde. Hij zag deze theorie als een benadering van de werkelijkheid en werkte tot aan het einde van zijn leven aan zijn waarde theorie. Ricardo gelooft dat de prijs van een product op lange termijn de productiekosten van dit product zullen weerspiegelen. Hij refereert aan deze lange termijn prijs als de ‘natuurlijke prijs’. De natuurlijke prijs van arbeid is in Ricardo’s waardentheorie dus gelijk aan de kosten van de productie van een nieuwe arbeider, het minimale loon, waarbij een arbeider zich nog kan voortplanten. Dit bestaansminimum niveau ‘Engels: subsistence level’ lag in Ricardo’s tijd overigens zeer laag en is niet vergelijkbaar met het huidige bestaansminimum. Mensen die dit minimum niveau gedurende langere tijd niet haalden stierven vaak (indirect) aan ondervoeding. Als de lonen dus de nauurlijke prijs van arbeid weergeven, zullen de lonen op het bestaansminimum niveau liggen. Ricardo stelt echter ook dat in tijden van een langdurig aantrekkende economie de lonen voor onbepaalde tijd boven dit bestaansminimum niveau kunnen liggen:

Niettegenstaande de tendens van de lonen om zich te conformeren aan hun natuurlijk voet, kan de marktvoet, in een economisch bloeiende maatschappij, voor een onbepaalde tijd constant boven deze natuurlijke voet liggen; want wanneer de impuls, die een toename in het kapitaal geeft aan de vraag naar arbeid, is uitgewerkt, zal een volgende toename van het kapitaal hetzelfde effect produceren; als de toename van het kapitaal gradueel en constant is, zal de vraag naar arbeid een continue stimulus zijn voor een toename van de bevolking….

Het is berekend dat de bevolking van een land onder gunstige omstandigheden in 25 jaar in omvang kan verdubbelen, maar onder dezelfde gunstige omstandigheden kan het hele kapitaal van hetzelfde land in nog minder dan 25 jaar verdubbelen. In dat geval zullen de lonen gedurende deze hele 25 jaar de neiging hebben te stijgen, dit omdat de vraag naar arbeid sneller stijgt dan het aanbod, On the Principles of Political Economy (‘Over de basisbeginselen van de Politieke Economie’), hoofdstuk 5, “On Wages”) (‘Over de lonen’).

In zijn Theory of Profit (‘Theorie van de winst’), merkt Ricardo op dat als de reële lonen stijgen, de reële winsten zullen dalen, dit omdat de opbrengsten van de verkoop van manufacturen verdeeld worden tussen de winsten en de lonen. Hij zegt in zijn Essay on Profits (Essai over winsten), “Winsten hangen af van de hoogte van de lonen, de lonen van de prijs van noodzakelijke goederen, en de prijs van de noodzakelijke goederen hangen op hun beurt voornamelijk af van de voedselprijzen”.

Ricardo geloofde in vrije loonvorming en net zoals Adam Smith was Ricardo een tegenstander van protectionisme. Hij was tegen tarieven op landbouwproducten, zoals deze in 1815 waren ingevoerd met de graanwetten (Engels: ‘Corn laws’). Hij was van mening dat deze graanwetten er voor zouden zorgden dat in Groot-Brittannië zelf minder productief land in productie werd genomen en dat de ‘pachten’ op land zouden stijgen. Daardoor zou het economisch surplus relatief meer ten goede komen van de veelal adellijke grootgrondbezitters en minder van de opkomende industriële kapitalisten. Aangezien grootgrondbezttersluxegoederen dan tot investeren, geloofde Ricardo dat de Corn Laws tot economische stagnatie zou leiden, waardoor de lonen ten opzichte van het bestaansminimum zouden dalen. Het Britse parlement herriep de Corn Laws in 1846. meer geneigd waren tot consumptie van