Algemene tips

  • Oefen regelmatig. Het is heel normaal dat je niet in één keer alles snapt. Goed lezen in een vreemde taal gaat niet van vandaag op morgen.
  • “Ik had 16 fout. Nou, volgende tekst beter” -
  • Sommige leerlingen oefenen alsof ze in het casino zitten en alsof het dus van toeval afhangt welk cijfer je hebt. Volgende keer misschien meer geluk. Alleen als je geïnteresseerd bent in het hoe en waarom van de gemaakte fouten heeft het zin.
  • Beslissend is – zoals altijd bij het leren – niet zozeer hoeveel fouten je had, maar wat je er daarna mee doet! Zoek uit, waarom het antwoord onjuist was, waar je de lees- of denkfout hebt gemaakt, en waarom dat andere antwoord wel juist is. Daar leer je veel meer van voor de volgende keer!
  • Teksten gaan over de wereld om je heen. Zorg dat je veel te weten komt over de wereld waarin je leeft. Dus lees de krant, kijk naar nieuws- en actualiteitenprogramma’s. Veel teksten gaan juist over maatschappelijke onderwerpen en niet persé over dingen die jongeren interesseren.

Zo haal je uit je woordenboek wat er in zit

Klik hier om een online presentatie (met geluid) te zien.

Het woordenboek- voor en nadelen

  • Het woordenboek is geen tovermachine, waar automatisch de goede betekenis uitrolt. Je moet een aantal dingen weten [weet jij bijvoorbeeld wat het teken "~" betekent?], een paar afkortingen kennen enz. om uit je woordenboek te halen wat erin zit! Kijk de gebruiksaanwijzing van je woordenboek goed door.
  • Opzoeken kost tijd. Reken op een minuut per woord. Dertig woorden opzoeken is dus een half uur examentijd. En die is kostbaar! Als je erg veel woorden moet opzoeken kom je in tijdnood. Zorg dus dat je een goede receptieve [dus: herkennen, Duits-Nederlands] woordenschat opbouwt en neem het leren van woorden serieus. Dan hoef je alleen op te zoeken wat je nodig hebt

Bespaar jezelf tijd en moeite: leer woordbetekenissen raden

  • Veel woordbetekenissen hoef je tijdens het lezen niet precies te weten. Je kunt proberen ze eerst te raden. Want opzoeken kan altijd nog en dat kost juist veel tijd!
  • Kijk naar de zin(nen) er om heen: de context.
  • Vaak kun je uit de ontext al een globale betekenis afleiden. In de opsomming “giraffen, olifanten, krodillen en XXXXXX” weet jij dat XXXXXX ook een exotisch dier moet zijn.
  • Lijkt het woord op het Nederlands? Of op een woord uit een andere vreemde taal? bijvoorbeeld: gesprek – Gespräch
  • Knip het woord in stukjes.
  • Misschien ken je al enkele stukjes van het woord: bijv. vierteilige = vier-teil-ige = vier-deel-ige
  • Spreek het woord in gedachten uit.
  • Soms “hoor” je dan dat het op het Nederlands lijkt. Bijvoorbeeld: het Duitse woord “Flut” spreek je uit als [floet], dat lijkt al veel op de betekenis: vloed.

Eerst de tekst lezen en dan de vragen? Of toch niet?

  • Het is handig om voordat je gaat lezen eerst de tekst “van buiten naar binnen” even vlot (ca. 2 minuten)  te bekijken.
  • Beslis dan pas – aan de hand van de vraag -, hoe je die tekst leest. Kijk dus eerst onderaan naar de bron (krant? magazine? enz.), kijk naar de eventuele tussenkopjes, samenvattingen, lay-out (jongerenblad? krant? folder?) en de afbeeldingen enz.  Dat geeft allemaal informatie waardoor je erachter komt waar het over gaat.
  • Zorg ervoor dat je veel artikelen extensief gelezen hebt voor je leesdossier, zodat je steeds sneller kunt inschatten, wat voor soort tekst iets is.

Tips meerkeuzevragen

  • Meestal zijn er van de antwoorden een paar klinkklare onzin en de andere lijken erg op elkaar. Om je te misleiden, staat er soms ook een antwoord in, dat lijkt op iets wat in de tekst staat, maar juist het tegendeel is van de vraag. Meestal is “wegstrepen” en telkens heen en weer kijken tussen tekst en vraag de manier.
  • Probeer bij een meerkeuze vraag niet meteen de antwoordopties te lezen, maar terug in de tekst te kijken om in gedachten het antwoord zelf te bedenken
  • Kijk uit: Vaak staan er antwoorden tussen die op zich best kloppen, maar die niet het antwoord op de vraag zijn.
  • En soms moet je het minst slechte antwoord kiezen!

Wat moet je doen als je ontzettend twijfelt?

  • Schrijf in ieder geval een voorlopig antwoord op en geef voor jezelf met een klein tekentje ofzo aan, dat je die vraag niet zeker wist.
  • Ga daarna verder met het examen. Kom je later in tijdnood, dan staat er in elk geval iets. Het komt nog steeds voor dat leerlingen bij (meerkeuze)vragen helemaal niets ingevuld hebben. En dat komt veel vaker voor dan je denkt!

Hoeveel teksten en vragen heeft het Centraal Eindexamen?

De laatste jaren een stuk of 13 teksten en ruim 40 vragen. Maar dat zegt niet zo veel. Sommige vragen zijn zo gemaakt, dat je de hele tekst niet hoeft door te spitten. Doe dat dan ook niet om tijdnood te voorkomen. Je  Het gaat er juist om dan je de handigheid moet hebben om te beslissen, wanneer je wat leest, wanneer je iets in detail gaat lezen en wanneer globaal!

Waar kan ik oefenen?

Je kunt hier in het vaklokaal oefenen met verbindingswoorden (ook wel “signaalwoorden” genoemd),  typische tekstwoordenschat en examens van vorige jaren.