Het was een clubje eigenwijze wereldverbeteraars, dat in 1919 begon met een moderne school, genaamd “Staatliches Bauhaus”. Ze konden niet vermoeden dat nu, ruim 90 jaar na de oprichting, de naam “Bauhaus” een legende geworden is en nog steeds overal zijn sporen nalaat. Als je nu in je kamer meubeltjes of lampen van IKEA hebt staan, is dat mede aan de mensen van het Bauhaus te danken. Hier lees je waarom!

De naam “Bauhaus” staat nu symbool voor al die moderne ontwikkelingen in de architectuur, kunst en design die het traditionele denken van vòòr de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) op zijn kop zouden zetten. Het bijzondere aan het Bauhaus was dat het niet één samenhangende stroming was, maar een veelzijdige beweging, een bonte verzameling individualisten, die één ding gemeen hadden: Ze wilden het bestaande, het traditionele radicaal veranderen. Vaak ook vanuit een idealisme: Niet langer moest in hun ogen alleen een rijke bovenlaag van kunst en design kunnen genieten, ook de gewone bevolking moest er van kunnen profiteren. Praktisch en democratisch design voor de massa! Ook bijzonder was, dat de Bauhaus-beweging al snel beroemd werd, maar net zo hard bestreden werd door tegenstanders. Het zorgde ervoor dat de school twee keer moest verhuizen en uiteindelijk, in 1933, door de nazi’s gesloten werd. Tegen de verdrukking verwierf de Bauhaus beweging wereldfaam.

Start in Weimar

Walter Gropius (1883-1969) was de bezielende directeur van de nieuwe school, die als “Staatliches Bauhaus” in 1919 in Weimar van start ging. In het Bauhaus-manifest, een document waarin de uitgangspunten verwoord werden, stonden radicale dingen: “Architecten, beeldhouwers, schilders, we moeten allemaal terug naar het ambacht!“. Gropius en zijn volgelingen hadden een ideaal voor ogen: Net zoals in de middeleeuwen, waar de kunstenaars en de ambachtslieden hand in hand werkten, moesten de Bauhaus-studenten weer verstand krijgen van alle aspecten van een gebouw, en een gebouw als een kunstzinnige en architectonische eenheid zien. Kunst en handwerk moesten weer een eenheid worden en de architectuur was de overkoepelende paraplu voor al deze ontwikkelingen. De eerste zin van het manifest luidde dan ook: “Het einddoel van alle beeldende productie is het bouwen”. Architecten moesten volgens het Bauhaus-ideaal voortaan van alle markten thuis zijn en hun gebouwen van onder tot boven vorm kunnen geven, inclusief meubels, lampen en stoffering.

Dat betekende een breuk met de traditie van toen, waar architectuuropleidingen en kunstscholen apart van elkaar bestonden, waar studenten eerst jarenlang de stijl van hun leermeester moesten leren na-apen. En die stijl was vrijwel altijd een traditionele stijl, samengesteld uit een onduidelijke mengelmoes van oudere, klassieke stijlen als het classicisme, barok, renaissance en de klassieke oudheid. “Salonkunst”, noemden de Bauhaus-aanhangers die kunst spottend.

Bekende design voorbeelden uit de Bauhaus-traditie: de lamp van Wilhelm Wagenfeld uit 1925, en het theekannetje, gemaakt van messing, zilver en ebbenhout, ontworpen door Marianne Brandt in 1924.

.

Om hun doel te bereiken kregen de Bauhaus-studenten een brede, algemene opleiding waarin algemene kennis van kunst hoog in het vaandel stond. In de school kregen ze les van beeldhouwers, schilders, meubelmakers, fotografen, typografen, kunstpedagogen en natuurlijk architecten. Een hele stoet bekende kunstenaars was bij het Bauhaus betrokken in al die jaren: Walter Gropius, Wassily Kandinsky, Paul Klee, László Moholy-Nagy, Marianne Brandt, Wilhelm Wagenfeld, Marcel Breuer, Oskar Schlemmer, Ludwig Mies van der Rohe, Lyonel Feininger enzovoort.

De studenten leerden in speciale werkplaatsen alle beeldende en vormende kunsten, van fotografie tot keramiek, van architectuur tot beeldhouwkunst. Voor de Bauhaus-kunstenaars was het duidelijk dat al het ontwerpen tot een industriële productie moest leiden, om de kosten laag te houden, zodat ook werkelijk brede lagen van de bevolking het zich zouden kunnen veroorloven. Dat ideaal werd alleen vaak niet bereikt, omdat er nog te weinig vraag was naar hun producten. Weer andere Bauhaus-aanhangers keken met achterdocht naar die verheerlijking van de industriële manier van produceren. Voor Gropius stond het ideaal van de eenheid van mens, kunst en techniek voorop. Dit kon bereikt worden door de ambachtelijke wijze van ontwerpen, gevolgd door een efficiënte industriële productie.

Toen de bevolking de eerste producten van de Bauhaus-idealisten onder ogen kreeg, vonden ze er maar niks aan. Het was veel te modern en met die democratische ondertoon te links in hun ogen. Deze afkeer leidde er toe dat de school elk jaar voor het geld moest vechten en uiteindelijk, in 1925, moest vertrekken. De stad Dessau toonde interesse.

Vervolg in Dessau en Berlijn

In Dessau kreeg de school de kans om in een gloednieuw gebouw in te trekken, ontworpen door Walter Gropius zelf. Gropius slaagde er in om zijn idealen hier uit te voeren. Het werd een helder en prettig gebouwencomplex, op maat gemaakt voor de behoeften van de school, met veel licht, lucht en ruimte en doordachte details. In 1927 werd in Stuttgart een nieuwe wijk, de Weissenhofsiedlung, gebouwd. [Bekijk ook deze Digischool pagina hierover!] Dat nieuwe arbeiderswijkje was een heuse sensatie: Met veel licht, lucht, terrassen, balkons en glas, nieuwe, industriële materialen en een hypermoderne keukens keek iedereen zijn ogen uit. Dit was dé droom voor de toekomst. Stel je toch voor dat alle arbeiders zo comfortabel zouden kunnen wonen, in plaats van in die bedompte arbeidswoninkjes onder de rook van de fabrieken. Alle grote namen in de architectuur van het Nieuwe Bouwen lieten in deze experimentele wijk zien wat ze konden.  Maar ook hier gold: niet iedereen vond het prachtig. Sommigen vonden het kil en die platte daken maar niks.

In 1929 scoorde Duitsland op de wereldtentoonstelling in Barcelona met het Duitse paviljoen, waar architect Ludwig Mies von der Rohe liet zien hoe je een dak binnen kon dragen door een staalconstructie, waardoor je de wanden in het huis losjes kon plaatsen zoals je wilt. Samen met de grote glaswanden aan de buitenkant oogde het allemaal hypermodern.

In 1928 volgt Hannes Meyer Gropius op als directeur, in 1930 wordt hij weer opgevolgd door Ludwig Mies van der Rohe. Elke directeur zette weer zijn eigen accenten. Maar ook in Dessau is het Bauhaus niet welkom. De nationaal-socialisten zorgen ervoor dat ook hier de school moet sluiten. Onder Van der Rohe verhuist de school naar Berlijn, maar ook daar moet de school al snel zijn deuren sluiten.

Wereldwijd

Net als veel andere kunstenaars ontvluchtten ook de Bauhaus-docenten en studenten Nazi-Duitsland toen het nog kon. Walter Gropius en Ludwig Mies van der Rohe maakten, net als veel van hun studenten, in het buitenland furore. Het Bauhaus had een ideaal voorgeleefd en gerealiseerd, wat de nazi’s niet meer terug konden draaien. Degelijk handwerk met een modern design, voor iedereen toegankelijk: kwalitatief design voor de massa, zoals de HEMA en IKEA dat bijvoorbeeld mogelijk maken.


IKEA beroept zich op dezelfde idealen als de mensen van het Bauhaus van toen!

En vooral ook: de kunst van het weglaten. Laat de vorm en de functie van iets voor zichzelf spreken in plaats van die te verstoppen achter allerlei versieringen en omhulsels. Typisch voor veel Bauhaus-gebouwen zijn dan ook veel rustige vlakken, platte daken, fraai doorlopende ramen over de gehele fassade, een praktische opzet en… lef om dagelijkse eenvoudige vormen als sier te zien. Bauhaus staat tenslotte voor de moed om voortdurend te breken met het oude en bekende en voor de moed om alle kunst- design- en ontwerprichtingen vrijelijk met elkaar te combineren.


Bauhaus-lef: Wat dacht je van een radiator gewoon midden op de muur plaatsen, als een soort kunstwerk? Walter Gropius deed het gewoon, in zijn schoolgebouw in Dessau.

.

Bauhaus-lef: Wat dacht je van een fris kleurtje in huis? Felle kleuren in het trappenhuis in de Bauhaus school in Dessau. Voor tijdgenoten moet het een schok geweest zijn! Daarnaast zie je een plaatje van een doorsnee trappenhuis uit die tijd!

.

Bauhaus-lef: Waarom moet een stoel eigenlijk 4 poten hebben? Marcel Breuer bedacht in 1926 iets nieuws. Van stalen buizen kun je ook een stoel maken. Nu vinden we dat vanzelfsprekend, toen was het volkomen nieuw!

De Nederlandse architect Mart Stam ontwierp een “zwevende” stoel. Hij wordt nog steeds gemaakt door het Duitse bedrijf Thonet. Door de buisconstructie veert hij een beetje waardoor de zitting dunner kon zijn en niet eens gevoerd hoefde te zijn. Een slimme constructie!

Stam was niet de enige die zich met zulke buisstoelen bezighield. De Nederlandse ontwerper Willem Gispen ontwierp ook stoelen en lampen. Dat zijn nu allemaal design klassiekers geworden. Je kunt ze bekijken in het Huis Sonneveld in Rotterdam. Een villa – nu museum – van een rijke fabrieksdirecteur uit de jaren ’20, die weer helemaal teruggebracht is in de stijl van toen!

.

Bauhaus nu

In Berlijn kun je het Bauhaus-Archiv bezoeken, een groot museum over het Bauhaus. In Dessau is het het oorspronkelijke schoolgebouw bewaard gebleven.