Nederland is met zijn wadden in het Noorden, zandgronden in Brabant, deltagebied in Zeeland en heuvels in Limburg al behoorlijk divers. In Duitsland zijn die verschillen er ook, maar op een grotere schaal. In de Duitse Alpen vind je bijvoorbeeld de Zugspitze (2964 meter), je vindt er grote bosgebieden (Beierse woud, Zwarte woud) en omvangrijke merengebieden (bijv. Mecklenburgische Seenplatte).
.

Uitzicht vanaf de Zugspitze (2962 meter) naar het Höllental, de Waxensteinkamm, Alpspitze (26289 m) en Karwendel-gebergte.

.
Van de Noord- en de Oostzee in het Noorden tot aan de Alpen in het zuiden bestaat Duitsland geografisch uit vijf grote gebieden:
.

  1. Noordduitse laagvlakte
    De Noordduitse laagvlakte – ten zuiden van de Duitse Wadden en de Noord- en Oostzeekust – is door de ijstijd gevormd. Je vindt er veel rivieren, meren, soms moerassen en heidelandschap in een vlak landschap.
  2. Middengebergte (“die Mittelgebirgsschwelle”)
    Dit vormt een soort natuurlijke scheiding tussen Noord- en Zuid-Duitsland. De bekendste gebergten zijn het Rheinische Schiefergebirge, Sauerland, Hessisches Bergland, der Harz, Bayrischer Weld enz.
  3. Zuid-Westduitse “Mittelgebirgsstufenland”
    Hier vind je o.a. het Zwarte Woud, het Odenwald en de Spessart
  4. Zuidduitse Alpenvoorlandschap
    Heuvels en grote meren in het Zuiden (o.a. de Chiemsee), grotendeels gevormd door gletscheruitlopers en smeltwater in het Pleistoceen.
  5. Beierse Alpen
    Duitsland omvat in het uiterste Zuiden met een relatief smalle strook van het Alpengebergte. Met o.a. de Allgäuer Hochalpen, de Nordtiroler Kalkalpen (met de Zugspitze, met 2962 meter het hoogste punt in de Bondsrepubliek), het Karwendelgebergte en de Salzburger Kalkalpen.