“Vaarwel D-Mark”: Duitsers hebben altijd een bijna emotionele band met hun munteenheid, de D-Mark gehad. Zoals in Nederland in 2002 de gulden door de Euro afgelost werd, volgde in Duitsland de EURO de Deutsche Mark op. De Euro was al snel ongeliefd: Hij werd dan ook Teuro genoemd, omdat alle prijzen plotsklaps gestegen leken te zijn..

Terugblik

Duitsland is een relatief jonge staat in Europa. Pas sinds de hereniging in 1990 heeft het de volledige soevereiniteit terug. De geschiedenis van het geld in Duitsland is daarom op zijn zachtst gezegd levendig te noemen. Pas in 1873 komt er een eenheidsmunt in Duitsland, de Goldmark. Die bestond toen nog uit 0,3584 kilogram goud. De naam Mark gaat trouwens terug naar een middeleeuwse gewichtseenheid. In 1924 moest men door de enorme inflatie (geldontwaarding) naar een nieuwe munteenheid, de Rentenmark. Die bleef tot in 1948 bestaan, werd echter al snel weer Reichsmark genoemd.


bankbiljet van 100 Mark uit 1910

Na de Tweede Wereldoorlog

Duitsland was in 1948, drie jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog, opgedeeld in een geallieerde bezettingszones. Door de grote inflatie kwam de Duitse economie zo kort na de oorlog niet op gang. Een nieuwe munteenheid werd noodzakelijk, maar de geallieerden konden het niet eens worden. Er tekende zich een tweedeling af; door de Koude Oorlog gingen Oost- en West-Duitsland hun eigen weg. Uiteindelijk leidde dit tot twee Duitslanden, de BRD in het Westen, de DDR in het Oosten van Duitsland.
de herinneringsmunt in goud, de echte D-Mark was zilverkleurig     Op 20 juni 1948 kwam het nieuwe geld naar West-Duitsland, de D-Mark. De bankbiljetten waren in de Verenigde Staten gedrukt, de gehele operatie werd in het geheim voorbereid. Amerikaanse militairen zorgden voor de verspreiding in Duitsland, de burgers hoorden maar een paar dagen van te voren dat ze nieuw geld zouden krijgen. De inkomens werden 1:1 uitgekeerd, maar het spaargeld bleef allesbehalve buiten schot: Voor elke 100 Reichsmark kreeg men nog maar 6,5 D-Mark terug. Munten waren er eerst niet, men moest zich zolang met de oude munten behelpen. Opmerkelijk: Nog voor de oprichting van de Bondsrepubliek (in juni 1949) was het de munteenheid er dus al. Daarom stond er op de eerste munten ook de tekst: “Bank deutscher Länder” en nog niet “Bundesrepublik Deutschland”

Wirtschaftswunder

In combinatie met de Amerikaanse economische hulp (het Marshall-plan) en een grote belastingverlaging kon de West-Duitse economie binnen korte tijd weer op eigen benen staan en overtrof het succes elke verwachting. De zwarte markt verdween snel, voedsel hoefde niet meer op de bon want de winkels lagen weer vol met producten, zij het dat lang niet iedereen ze in het begin kon betalen. Men sprak van het Wirtschaftswunder, het “wonder” van de economische opbloei. Deze tijd vestigde voor altijd de roem van de D-Mark als stabiele, “harde” munteenheid. De Duitse economie kreeg de bijnaam “wirtschaftliche Lokomotive“, de economische locomotief voor Europa’s welvaart. Maar vooral voor het zelfvertrouwen en zelfbewustzijn van de Duitsers heeft de D-Mark veel betekend. Velen herinnerden zich immers nog de verwoestende gevolgen van de grote inflatie in de jaren ’20 en de Beurskrach van 1929. In allerlei landen werd de harde D-Mark graag geaccepteerd en werd tot een soort tweede munteneenheid. De koers van de Nederlandse gulden is vele jaren lang aan die van de D-Mark gekoppeld en werd daardoor ook een heel stabiele munteenheid.

Oost-Duitsland

In Oost-Duitsland werd vier dagen na de invoering van de D-Mark in West-Duitsland ook een nieuwe Mark ingevoerd, die men “Mark der deutschen demokratischen Republik” noemde, in de Volksmond ook wel Mark of Ostmark. West-Duitsers spraken bij het zien van de muntjes spottend van “Alu-Chips” (Sommige munten waren van het lichte aluminium gemaakt). Toen de muur in 1989 gevallen was en de Oost-Duitsers de straat op gingen om de hereniging met het rijke West-Duitsland op te eisen, bleek dat de West-Duitse D-Mark inmiddels een soort Messias-status had verkregen. De eis luidde dan ook: “Wenn die D-Mark nicht zu uns kommt, gehen wir zu ihr!”. Op 1 juli 1990 werd de D-Mark ook in de DDR de officiële munteenheid. De Duitse hereniging werd in oktober 1990 een feit, maar de D-Mark alleen kon de totaal verwaarloosde Oost-Duitse economie niet vlottrekken, bleek al snel.

1 januari 2002: Der EURO kommt – afscheid van de D-Mark

Voor Duitsers was het wennen aan het nieuwe geld gemakkelijker dan voor ons. In Nederland was de indeling met kwarten (4×25 cent was een gulden, vier keer een Rijksdaalder een tientje enz.) De Duitsers waren met hun munt- en papiergeld al vertrouwd met de opbouw 1 – 2 – 5 – 10, omdat de D-Mark ook deze verdeling had. De Hollandse “cent” was bij ons al verdwenen, maar de Duitsers hadden muntstukken van 1 en 2 Pfennig.

Zo zien de Duitse Euromunten er uit:

Op de 1- en 2-Euromuntstukken staat de Bundesadler, het wapen van Duitsland:

50 Eurocent. Als symbool de Brandenburger Tor, de bekende poort in Berlijn en symbool voor de Duitse eenwording, misschien wel voor heel Duitsland:



En op de kleinste munten het van de D-Mark bekende Eichenlaub, oftwel: een takje van de eik:

Bronnen: websites van Europäische Zentralbank, Stuttgarter Zeitung, STERN, SPIEGEL, NRC Handelsblad 01.11.01