De inspectie publiceerde 17 april 2012 haar onderwijsverslag over 2010/2011 en daarin staan opmerkelijke conclusies o.a. deze: 'Analyses van de Onderwijsinspectie wijzen uit dat docenten en schoolleiders een grote rol spelen bij verbeteringen op zwakke scholen' – goh, wie zouden daar anders invloed op kunnen uitoefenen, conciërges en schoonmakers??

Maar ondanks de optimistische eerste conclusie komen wij er als docenten toch niet best af! Uit het persbericht: 

'De meeste leraren (86 procent in het basisonderwijs en rond de 75 procent in de verschillende schoolsoorten van het voortgezet onderwijs) leggen duidelijk uit, zorgen voor een taakgerichte werksfeer en betrekken de leerlingen actief bij de les. 2 tot 3 procent van de leraren beschikt over geen van deze basisvaardigheden. Dit blijkt uit de analyse door de Inspectie van het Onderwijs van bijna vierduizend lessen.'

Een kwart legt dus niet goed uit, heeft geen taakgerichte werksfeer (leerlingen doen niets?) en betrekt de leerlingen niet actief bij de les. Dat is niet zo'n beste score. Maar enige nuance moet ik dan toch aanbrengen want bovenstaande conclusie klopt niet met de rest van het rapport.

Op pag. 228 van het rapport staat dat de percentages anders liggen voor genoemde vaardigheden (resp. voor vmbo, havo en vwo);

- De leraren geven duidelijke uitleg van de leerstof: 93%    93%    96%
- De leraren realiseren een taakgerichte werksfeer: 87%   89%    92%
- De leerlingen zijn actief betrokken bij de onderwijsactiviteiten: 81%  76%  83%

Dit zijn wel algemene percentages – er zijn tussen vakdocenten onderling duidelijk verschillen (Engelse docenten missen nogal eens basisvaardigheden!):

Lagere percentages zijn er alleen voor complexere vaardigheden (differentiatie aanbrengen) zoals deze:
- De leraren stemmen de verwerkingsopdrachten af op verschillen in ontwikkeling tussen de leerlingen:   61%   52%   52%

De inspectie baseert haar conclusies op lessen die zijn geobserveerd. Daarbij is slechts één les per docent bezocht:

'Bij de lesobservaties is doorgaans één les van een leraar beoordeeld. De inspectie is van mening dat een eenmalige observatie van een docent normaal gesproken niet kan worden gebruikt voor een beoordeling van de docent. Het is mogelijk dat de leraar bij een andere les en op een ander moment anders presteert. Omdat het in dit geval een groot aantal geobserveerde lessen bij een representatieve steekproef van scholen betreft, geven de oordelen een goed beeld van de gemiddelde kwaliteit van de lessen.' (pag. 223)

Ik vraag mij af of dit dan wel een representatief beeld geeft, zeker voor de complexere vaardigheden. We hebben allemaal onze goede en slechte momenten, klassen hebben dat ook (tijdstip van de dag!) en samenstelling van de groep. Ik geef zelf regelmatig lessen waar ik niet tevreden over ben en het zou lullig zijn als de inspectie net bij dat uur aanwezig is.

Verder is het lastig om op basis van één bezochte les te beoordelen in hoeverre een docent in staat is om te differentiëren – differentiatie is iets wat vaak ook buiten lessen omgaat: gesprekken die je voert, extra hulp die je biedt etc. Hoe terecht is het om een kwalificatie te geven voor zo'n vaardigheid op basis van één les?       

Nog een opmerkelijke observatie:

'De kwaliteit van een leraar valt niet direct af te lezen aan leeftijd, geslacht en ervaringsjaren. Wel zijn beginnende leraren minder vaardig dan hun ervaren collega’s. Verder tonen in het voortgezet onderwijs eerstegraads leraren en leraren bij de beroepsgerichte vakken vaker de complexere vaardigheden. Het gaat echter om graduele verschillen.' (pag. 222)

In elk beroep is het toch normaal dat mensen die net beginnen nog niet alles perfect in de vingers hebben? Het probleem in het onderwijs is dat beginnende docenten wel meteen alle verantwoordelijkheden krijgen (met alle gevolgen voor de leerlingen die les krijgen van een beginner): zou daar niet eens iets in moeten worden gewijzigd? Eerst een jaar meelopen met een collega bijvoorbeeld? Of meer begeleiding?

'Uit het onderzoek blijkt dat de vaardigheidsverschillen tussen leraren groot zijn. Besturen en schoolleiders moeten de gelegenheid scheppen voor gerichte professionalisering, en voor het creëren van een cultuur waarin leraren van elkaar kunnen leren. Hiermee kan de kwaliteit van het over het algemeen goede Nederlandse onderwijs verbeterd worden.'

Helemaal mee eens: we moeten van elkaar leren! Gooi die klas open – bespreek zaken met elkaar, geef toe dat je bepaalde zaken niet beheerst en help elkaar!

Volledige rapport Onderwijsverslag Inspectie

Oproep: wie heeft bezoek gehad van de Inspectie in 2010/2011? Volgens het rapport zijn ruim 2000 collega's in het vo bezocht (976 in vmbo, 588 in havo, 561 in vwo) – hoe ging dat in zijn werk? Was het een representatieve les? En hoe werden de complexe vaardigheden als differentiatie beoordeeld? Ik werk al sinds 1980 in het onderwijs maar heb nog nooit iets te maken gehad met de Inspectie – wie heeft dat wel?

10 Reacties op “1/4 van docenten vo onder de maat??”

  1. mieke thijm zegt:

    dank je wel. goede analyse van het onderwijsverslag inspectie.ik werk al meer dan tien jaar in het onderwijs, maar heb nog nooit een bezoek gehad van de inspectie.

  2. Christien van Gool zegt:

    @Mieke
    Dank je voor complimenten!

    De Inspectie zegt dat ze elke 4 jaar een school willen bezoeken – die van jou en mij zat er dus niet bij…

  3. Antoine van Dinter zegt:

    Prima analyse. Differentatie kan bijvoorbeeld ook plaats vinden in een Z-uur, waar je leerlingen vaak individueler kunt helpen.

  4. Arie Hoeflaak zegt:

    Jammer dat in het trefwoordenregister van het Inspectierapport het woord ‘differentiatie’ niet is te vinden. Met de zoekfunctie in het pdf-document kom je het wel tegen, maar in verschillende conteksten. Voor zover het wordt uitgelegd komt het neer op zoiiets als ‘afstemmen op individuele behoeften.’
    Maar hoe je dat dan doet, daar lees je niks over, is ook wellicht niet de taak van de inspectie, al mag je toch denken dat men daar verstand heeft van onderwijs geven. Maar goed: dat op dat punt de scores relatief laag zijn snap ik. In de Middenschooltijd heb ik Frans gegeven aan zeer heterogeen smaengestelde klassen, van leerjaar 1 t/m 3. Heb toen ontdekt – met schade en schande – dat het een praktisch onmogelijke opgave is om in een klas met 30 zeer verschillende leerlingen gedifferentieerd les te geven, want hoe ontwerp je 30 verschillende leertrajecten, en wie zal dat betalen?

  5. Christien van Gool zegt:

    @Arie
    Eerlijk gezegd snap ik ook niet zo goed wat de Inspectie bedoelt met differentiatie: ‘tegemoet komen aan verschillen’ noemen ze het.
    Vandaar mijn vraag om ervaringen – dan wordt het misschien duidelijk.
    Ik denk niet dat er wordt bedoeld dat je voor elke leerling een apart traject moet uitzetten maar zeker weten doe ik het niet.
    Gewoon je lessen afstemmen op je leerlingen en de groep die je voor je neus hebt??

  6. Lili van Raan zegt:

    Door zij-instromers in te zetten en te suggereren dat iedereen wel op de een of andere manier geschikt (competent)is om les te geven, is de kwaliteit niet echt gestegen.Overigens geef je zelf aan “regelmatig lessen te geven waarover je niet tevreden bent”.
    Wanneer zullen wij als docenten leren dat je gerust mag zeggen dat je regelmatig hele goede lessen verzorgt? Zelfreflectie mag ook positief uitpakken, toch? Of zijn we het in ons hart eens met de Inspectie?

  7. Arie Hoeflaak zegt:

    @Christien
    In jouw laatste zin zit nou juist de makke verstopt: ‘je leerlingen’ en ‘de groep’ bestaat uit individuen die allemaal hun eigen benadering nodig hebben. Zullen we de inspectie eens de vraag voorleggen wat men daar als juiste aanpak ziet? Daar moet veel wijsheid zitten…

  8. Christien van Gool zegt:

    In het rapport is weinig hierover te vinden; de volgende citaten zeggen er iets over:
    “Het percentage leraren dat tijdens de les laat zien ook de complexere vaardigheden te beheersen, loopt op methet bevoegdheidsniveau. Dat geldt ook voor het functieniveau: leraren die zijn ingeschaald op Lc- en Ld-niveau tonen vaker (55 procent) de complexere vaardigheden dan leraren op Lb-niveau (42 procent). Ook het omgekeerde geldt: er zijn minder Lc-/Ld-leraren die de basisvaardigheden niet tonen tijdens de les (17 procent, tegenover 27 procent bij de leerkrachten op Lb-niveau). De vraag is of en in hoeverre er een een-op-eenrelatie is tussen de bevoegdheid en het functieniveau.” (pag. 229)

    Men kijkt dus naar vaardigheden tijdens de les. En hoe hoger de bevoegdheid, hoe beter docenten zijn. Maar de conclusies zijn niet echt hard omdat te weinig lessen zijn geobserveerd:

    “Voor het voortgezet onderwijs is het verder niet mogelijk om verdere analyses te doen over de relatie tussen de kwaliteit van het didactisch handelen en de toezichtarrangementen. De reden hiervoor is dat het aantal scholen met een aangepast arrangement en voldoende lesobservaties gering is. (pag. 230)

    Het blijft dus redelijk schimmig waarop de harde conclusies zijn gebaseerd.

  9. Christien van Gool zegt:

    @Lili van Raan
    Dat er lessen zijn waarover ik niet tevreden ben, impliceert dat er lessen zijn waar ik wel tevreden over ben ;-)

  10. Arie Hoeflaak zegt:

    “Toezichtarrangementen”? Wat zijn dat nou weer?
    We stellen in elk geval vast dat de bewijsvoering uitermate dun is. Verdient de inspectie eigenlijk nog wel haar reputatie en status?

Reageer


+ twee = 9