De volgende gastcolumn is van Theo Last, community-manager Techniek, en gaat over kwaliteitszorg
 - reacties uiteraard welkom!

"Spelen is leren, dat weet een kind. Al ben je tachtig, in het spel leer je bij. En als leren belangrijker wordt, dan wordt spelen dat dus ook. Het onderscheid tussen werken, spelen en leren zal steeds vager worden."  – Hugo Brandt Corstius

U kent het wel. Het goedkope speelgoed. Speelgoed en van die prullen die je overal 'cadeau' krijgt. Waar kinderen één keer, weinig creatief, alleen mee spelen en waar – onvermijdelijk – na twee minuten spelen alle onderdelen vanaf zijn: het is stuk en niet meer te repareren!

In Nederland moet al het speelgoed in overeenstemming zijn met de Europese regelgeving (CE). Er moet ondermeer een risicoanalyse zijn uitgevoerd, het mag geen allergische reacties oproepen en moet aan specifieke Europese normen voldoen. Hoewel al dit speelgoed aan al deze nauwkeurig beschreven specificaties voldoet, heb je er veelal weinig aan. Ze spelen er even mee en laten het al snel links liggen of het gaat snel stuk en levert het kind veel frustraties op. O, ze hebben dan misschien wel kortstondig wat vaardigheden geoefend en vervolgens leren omgaan met tegenslag maar erg gericht op de ontwikkeling van het kind is dit niet en dat terwijl “spelen toch leren is”! Speelgoed waarvan ze zich later niet eens meer herinneren dat ze het hebben gehad. Kortom kwaliteitszorgsystemen zijn weliswaar een zekere garantie voor veilig speelgoed, het is nog geen garantie voor goed speelgoed.

Ook in het onderwijs maken we veel gebruik van kwaliteitszorgsystemen. Enerzijds gericht op de systematische ontwikkeling van de organisatie en anderzijds zijn we druk met de verantwoording naar financiers en bestuurders. Allemaal willen ze een vinger aan de pols hebben voor wat betreft het meten van de door de scholen geleverde kwaliteit. Denk maar eens aan al die controle- en diagnose-instrumenten zoals  prestatie-indicatoren, kwaliteitsmetingen, kwaliteitscycli, evaluatiekalenders, voortgangscontroles en nog veel meer. Maar ook individuele volgsystemen die keurig aangeven hoeveel van wat is aangereikt kan worden gereproduceerd. We leggen alles planmatig langs de meetlat van de norm- en streefcijfers en als het kind hieraan voldoet is het doel bereikt en kunnen we het kind kwalificeren. Maar wat is dan die (cognitieve) kwaliteit? Relatief eenvoudig meetbaar, jazeker. Maar dat 80% van alles waarop het kind is getoetst binnen afzienbare tijd weer is verdwenen, lijken we niet belangrijk te vinden.

De zorg voor kwaliteit van het onderwijs moet gericht zijn op en ten dienste staan van de ontwikkeling van het kind als kritisch en sociaalbewogen deelnemer aan de opbouw van een rechtvaardige samenleving en niet zoals nu veelal alleen maar, primair en oppervlakkig, politieke en snel meetbare economische doelen dienen. Onderwijs waarvan ze zich later niet eens meer herinneren dat ze het hebben gehad! Kwaliteitzorg 1.0 is stuk en niet meer te repareren omdat we eigenlijk alleen maar de economische kwaliteit bewaken.

Natuurlijk is het belangrijk dat een school goed georganiseerd is maar het is nog geen garantie voor goed onderwijs. Kwaliteitszorgsystemen? Vanzelfsprekend! Maar dan wel van een andere kwaliteit. Kwaliteit die de beleving volgt en primair is gericht op de sociale, lerende mens. De mens weer centraal – elk talent telt – en niet het systeem. Kwaliteitszorg 2.0 is a serious game.

2 Reacties op “Gastcolumn Kwaliteitszorg 2.0”

  1. Christien van Gool zegt:

    @Theo
    Niets op af te dingen op bovenstaand verhaal – maar hoe gaan we dat doen? En belangrijker, hoe overtuigen we de politiek…??

  2. Betty Meester zegt:

    Hoi Theo,
    Zolang de inspectie van het onderwijs `de beleving` niet kan meten, zullen we het moeten doen met kwaliteitszorg 2.0. Nieuwe onderwijsmethodes die gericht zijn op de ontwikkeling van het kind, komen tot nu toe niet verder dan de experimentfase – misschien juist omdat er weinig meetbaars in zit. Maar jouw column kan een leuke discussie opleveren! Tot vrijdag, Betty

     

Reageer


− een = 8