Kerndoel 12: De leerlingen verwerven een adequate woordenschat en strategieën voor het begrijpen van voor hen onbekende woorden. Onder ‘woordenschat’ vallen ook begrippen die het leerlingen mogelijk maken over taal te denken en te spreken.

Leerlijnen groep 1 /2:

  • beheersen van een basiswoordenschat
  • conceptuele netwerken ervaringsgericht uitbreiden
  • nieuwe woordbetekenissen uit verhalen afleiden
  • woorden actief leren gebruiken
  • onderscheid tussen vorm- en betekenisaspecten van woorden
  • reflectie op woordbetekenissen
  • betekenis van begrippen voor beginnende geletterdheid: voor, achter, boven, onder, beneden, links, rechts, begin, midden, eind, letter, klank, woord, verhaal, lezen, schrijven

Leerlijnen groep 3 / 4

  • eigen woordenschat opbouwen
  • doelgericht in en buiten de klas nieuwe woorden afleiden
  • toepassen van strategieën voor het afleiden van woorden
  • betekenisrelaties die woorden kunnen hebben, zoals onderschikking, bovenschikking, tegenstelling, synoniem
  • uitbreiden van conceptuele netwerken, zodat diepe woordbetekenissen ontstaan
  • interpreteren van eenvoudig figuurlijk taalgebruik
  • strategieën toepassen voor het afleiden van de betekenis van woorden uit de tekst
  • lettergreep, punt, komma, uitroepteken, vraagteken, aanhalingsteken, bladzijde, woord, zin, hoofdletter, uitspraak, titel, tekst, hoofdstuk, regel
  • de woordenschat van de kinderen breidt zich uit (kwantiteit) en de woordkennis wordt dieper (kwaliteit), ook van woorden die ze al eerder verworven hadden. Kinderen leren steeds meer betekenisaspecten van een woord kennen, kennen betekenisverschillen van woorden die op elkaar lijken, begrijpen én gebruiken woorden in nieuwe situaties

Leerlijnen groep 5 / 6

  • onderscheiden van woordsoorten
  • figuurlijk taalgebruik interpreteren
  • de principes van verbuiging en vervoeging van woorden
  • signaleren van onbekende woorden
  • strategieën toepassen voor het afleiden van de betekenis van woorden uit de tekst
  • weten dat woorden onderschikkende en bovenschikkende betekenisrelaties kunnen hebben
  • weten dat woordparen betekenisrelaties kunnen hebben, zoals tegenstelling en synoniem
  • woorden opzoeken in naslagwerken (woordenboek, encyclopedie)
  • dubbele punt, lettertypen, trema, accenten, alinea, kopjes, spelling, enkelvoud, meervoud, tegenwoordige tijd, verleden tijd, hele werkwoord (infinitief), (voltooid) deelwoord,
    en standpunt, argument, feit, mening, tekstsoort, aanduidingen voor tekstsoorten en genres, aanduidingen voor gespreksvormen, betekenis, symbool, signaal, synoniem, context, woordvorm, woorddeel, samengesteld, voorvoegsel, achtervoegsel, woordsoort, letterlijk figuurlijk taalgebruik, uitdrukking, spreekwoord, gezegde
  • de woordenschat van de kinderen breidt zich uit (kwantiteit) en de woordkennis wordt dieper (kwaliteit), ook van woorden die ze al eerder verworven hadden. Kinderen leren steeds meer betekenisaspecten van een woord kennen, kennen betekenisverschillen van woorden die op elkaar lijken, begrijpen én gebruiken woorden in nieuwe situaties

Leerlijnen groep 7 / 8

  • zelfstandig uitbreiden van woordenschat
  • zelf betekenisrelaties tussen woorden leggen
  • woorden buiten de context definiëren
  • toepassen van figuurlijk taalgebruik
  • zelf figuurlijk taalgebruik toepassen
  • zelfstandig nieuwe woordbetekenissen afleiden en onthouden
  • positieve houding ten aanzien van het leren van woorden
  • puntkomma, paragraaf, articulatie, klemtoon, intonatie, spreekpauze
    homoniem, vakjargon, moedertaal, tweede taal, vreemde taal, standaardtaal, dialect, meertalig,formeel en informeel taalgebruik
  • de woordenschat van de kinderen breidt zich uit (kwantiteit) en de woordkennis wordt dieper (kwaliteit), ook van woorden die ze al eerder verworven hadden. Kinderen leren steeds meer betekenisaspecten van een woord kennen, kennen betekenisverschillen van woorden die op elkaar lijken, begrijpen én gebruiken woorden in nieuwe situaties. Het accent verschuift hierbij naar het leren van woorden.