BLOG: de eindsprint 6

U kent het wel: scholieren die het tijdens de les en tijdens de pauzes steeds maar hebben over die ene game en hoever ze daarin al gekomen zijn….
Wij als docenten kunnen ons er nog al eens aan ergeren dat leerlingen zoveel tijd aan gamen besteden, in plaats van aan het schoolwerk.
In mijn werk als huiswerkbegeleider heb ik gemerkt dat je dit game-fenomeen ook kunt omdraaien tot iets heel positiefs.

"Wat als leerlingen nou eens met hun huiswerk aan de slag gaan op een game-achtige manier?! Dat zou best een positieve invloed op hun motivatie kunnen hebben…"

Met die gedachte ben ik aan de slag gegaan, en uiteindelijk rolde daar een stappenplan uit om je schoolwerk als een computergame te gaan zien.
Ik heb het stappenplan getest met mijn leerlingen en ze waren enthousiast. Er werd goed gewerkt, leren was opeens veel leuker en hun resultaten verbeterden!

Voor mij reden om dit stappenplan met u te delen! Gaat u het ook proberen? Ik ben benieuwd naar uw ervaringen!

Blog: de eindsprint 3

In mijn blogs schrijf ik in deze periode over de eindsprint naar een goed overgangsrapport.
Maar nu de meivakantie begonnen is, of voor sommigen nog moet beginnen, is het voor leerlingen extra lastig om de discipline en de motivatie op te brengen om iets te doen voor school. Hoezeer ze ook weten dat het hard nodig, sommigen kunnen zich er maar lastig toe zetten.

Om mijn leerlingen een beetje te helpen, heb ik voor hen een opdracht gemaakt over zelfdiscipline. Ik geef deze opdracht 3 of 4 weken achter elkaar aan mijn leerlingen om hen te helpen zich bewuster te worden van hun verantwoordelijkheid en de afspraken die ze moeten nakomen om de kansen op bevordering zo groot mogelijk te maken.

Mijn ervaring is dat het kwartje bij leerlingen vaak na 2 a 3 weken wel valt en dat ze vanaf die tijd zich beter aan hun huiswerkafspraken met mij, maar vooral met zichzelf gaan houden. Een belangrijk punt, juist in de periode van de eindsprint.

Bij jonge leerlingen is er vaak wat meer tijd nodig!

Goede voornemens 3

Inmiddels zitten we in de derde week na de kerstvakantie. De derde week dus van de goede voornemens.
Bij veel mensen, en dus ook bij onze leerlingen, komt nu een lastig punt: volhouden!

Een paar belangrijke tips waarmee u uw leerlingen kunt helpen om door te (blijven) zetten:

- Probeer hen voor ogen te houden waarom ze dit doen, bijvoorbeeld om over te gaan naar het volgende leerjaar, om naar een hoger niveau door te mogen stromen of om te slagen voor het eindexamen.
Wat heel goed werkt is om leerlingen hun dromen (dus bijvoorbeeld op het VWO blijven omdat hij of zij dolgraag arts wil worden) op papier te laten zetten en dit boven hun bureau te hangen. Ze worden er dan iedere keer mee geconfronteerd als ze aan hun huiswerk starten en dat kan hen helpen om door te zetten.
- Laat hen meetbare doelen stellen. Overgaan naar een volgend leerjaar is een te groot en voor pubers te onoverzichtelijk doel. Beter is om te werken met kleinere doelen die uiteindelijk leiden tot het hoofddoel. Denk daarbij bijvoorbeeld aan iedere maand een tekort wegwerken.
- Houd samen bij wat er goed gaat op weg naar het uiteindelijke doel. Dat zorgt ervoor dat een leerling positief gestemd is en de motivatie minder snel verliest. Vanuit deze positieve mindset kan dan aan verbeterpuntjes gewerkt worden.
- Help leerlingen hun valkuilen te kennen en probeer deze te vermijden. Bespreek samen wanneer de kans het grootst is dat een leerling in oude gewoontes terugvalt en schrijf samen op wat de leerling als alternatief moet doen om te voorkomen dat hij in deze valkuil loopt.
- Evalueer regelmatig hoe het gaat en wat er bijgestuurd moet worden. Het is het beste om dit wekelijks te doen, zo kan er snel worden aangepast als een bepaalde werkwijze toch niet zo goed werkt bij deze leerling.

Volgende week deel 4 in de serie goede voornemens!


Goede voornemens 2

Zoals bekend staan de wekelijkse blogs deze maand in het teken van goede voornemens.
Vorige week lag de nadruk op het opstellen van goede voornemens en doelen.

'Aan de slag dus nu!', zou je zeggen. Maar voor veel leerlingen is júist die stap toch nog best lastig. Ze kunnen zich er maar moeilijk toe zetten om daadwerkelijk goed aan de slag te gaan. Met andere woorden, het ontbreekt hen een beetje aan motivatie. Dat is iets wat ik in mijn werk heel vaak zie.

Om hen een beetje te helpen en te ondersteunen heb ik daarom twee stappenplannen gemaakt om daadwerkelijk aan de slag te gaan. De ene is een beetje geënt op een computergame, de andere is wat algemener. Misschien handig om aan uw leerlingen te geven om bv op hun bureau te plakken of boven hun bureau op te hangen…


Goede Voornemens 1

De kerstvakantie zit erop, 2015 is begonnen, en net zoals veel volwassenen onder ons, hebben ook veel scholieren goede voornemens. Bij veel scholieren hebben deze voornemens betrekking op school. Ze willen bijvoorbeeld 'beter gaan werken voor school'.
Veel van deze voornemens verzanden na enkele weken/maanden, en dat komt omdat leerlingen hun voornemens of doelen niet concreet genoeg maken. 'Beter gaan werken voor school' is niet meetbaar. Beter zou bijvoorbeeld zijn: 'ik ga bijles nemen voor het vak Duits' of  'ik ga voortaan een weekplanning maken'
Voor pubers is het lastig om doelen concreet te maken, en daardoor is het lastig deze doelen na te streven, waardoor al snel de frustratie toeslaat.

Er ligt dus voor ons een taak om hen te begeleiden bij het opstellen van concrete doelen…
Maar ook motivatie speelt natuurlijk een rol bij het in de praktijk brengen van goede voornemens. Deze maand staan goede voornemens centraal in het wekelijkse blog.

Vandaag met deze gratis opdracht om leerlingen op een goede manier doelen te laten stellen!

Volgende week meer goede voornemens-ondersteuning!

Leermoeilijkheden

 

 

Leermoeilijkheden


“Leermoeilijkheden” is een onderdeel van het deelgebied Competentie van het SMW-Model. De competentie van leerlingen met betrekking tot school wordt namelijk beïnvloed door leermoeilijkheden.


Bij leermoeilijkheden wordt onderscheid gemaakt tussen leerproblemen en leerstoornissen. Leerproblemen treden op wanneer er onvoldoende stimulatie is in de omgeving of er sprake is van een beneden gemiddelde intelligentie. Men noemt deze ook wel secundaire leerproblemen. De persoon in kwestie vertoont leermoeilijkheden op allerlei vlakken. Leerstoornissen daarentegen zijn primaire leerproblemen. Leerlingen met leerstoornissen beschikken gewoonlijk over een normale intelligentie. Belangrijke kenmerken van leerstoornissen zijn dat ze persisterend en specifiek zijn. Persisterend houdt in dat de leerling bepaalde leerproblemen altijd met zich mee zal dragen. Voorbeelden van leerstoornissen zijn dyslexie (een opvallend probleem met het leren lezen en/of spellen) en dyscalculie (een verzamelnaam voor uiteenlopende rekenstoornissen).


In de onderstaande opdracht krijgen leerlingen de taak om naar hun eigen leermoeilijkheden te kijken. Ze gaan eerst brainstormen over dingen die zij in het algemeen moeilijk vinden. Daarna kijken ze naar specifieke taken en vakken. Vervolgens gaat de leerling opzoek naar middelen, die ervoor zorgen dat de leerling zo min mogelijk last heeft van zijn leermoeilijkheden. Als begeleider is het belangrijk om de leerling hierin te begeleiden. De opdracht vraagt veel zelfkennis van de leerling.  

Leermoeilijkheden – aanpak

Motiveren van leerlingen

Geschreven door Patricia Hendrikx en Renske Derksen

Hoe help je leerlingen met motivatieproblemen?

Bijna alle leerlingen hebben er wel eens last: Geen motivatie om schoolwerk te maken. Desondanks is motivatie een vereiste voor leerlingen om hun school succesvol af te ronden. Is een leerling nooit gemotiveerd om zijn schoolwerk te doen dan zal hij/ zij vroeg of laat vast lopen. Leraren en ouders spannen zicht geregeld in om de motivatie van hun leerlingen/ kind(eren) te vergroten. Meer motivatie zal immers leiden tot beter functioneren, is de algemene aanname. Maar is het werkelijk dat meer motivatie per definitie altijd beter is? Speelt het soort motivatie van een leerling heeft ook een rol? Op welke manier kan een leerling gemotiveerd worden dat dit ook echt effectief is voor zijn/ haar werkhouding. En welke motivatie heb jij zelf/ heeft uw leerling/ uw kind het meest?

Intrinsieke en extrinsieke motivatie

In het onderwijs wordt vaak de nadruk gelegd op de kwantiteit van de motivatie. Hoe meer een leerling gemotiveerd is, hoe beter hij/ zij zal functioneren. Het blijkt echter dat de kwaliteit (of soort) van motivatie een minstens even grote rol speelt op het functioneren van de leerling. Wanneer men spreekt over soort van motivatie worden intrinsieke en extrinsieke motivatie vaak genoemd. Intrinsieke motivatie is motivatie die mensen vanuit zichzelf hebben en wordt vaak beschouwd als ‘goed’. Wanneer leerlingen intrinsiek gemotiveerd zijn leren ze uit nieuwsgierigheid en persoonlijke interesses. Weinig stimulans van buiten lijkt hierbij nodig te zijn. Extrinsieke motivatie wordt daarentegen vaak beschouwd als ‘slecht’ omdat leerlingen in dit geval het leren niet als doel zien maar als een middel om een ander doel te bereiken. Een leerling leert hard voor zijn proefwerk biologie. Niet omdat hij het een interessant onderwerp vindt, maar omdat hij een voldoende moet halen om over te gaan naar de volgende klas. Het blijkt echter dat extrinsieke motivatie niet per definitie ‘slecht’ is. Om leerlingen te stimuleren hoeft de extrinsieke motivatie niet per definitie vermijd te worden. De mate waarin een leerling autonome en gecontroleerde motivatie ervaart lijkt een belangrijkere rol te spelen.

 Gecontroleerde versus autonome motivatie

De meest bekende vorm van extrinsieke motivatie van leerlingen is als zij iets doen (of juist niet) om straf te vermijden of beloning te krijgen, oftewel gemotiveerd worden door externe elementen. Deze vorm van extrinsieke motivatie wordt hierom ook wel externe regulatie genoemd. Er zijn echter ook leerlingen die zichzelf onder druk zetten om een goede prestatie neer te zetten. Hun motivatie is om schuld, schaamte en angst te vermijden. Deze vorm van extrinsieke motivatie (het studeren is een middel om het doel, bijv. schuld, te vermijden) wordt geintrojecteerde regulatie genoemd. Bij zowel de externe regulatie als de geintrojecteerde regulatie ervaren de leerlingen veel stress en druk. Het betreft hier dan ook gecontroleerde (verplichtende) motivatie.

Naast bovengenoemde vormen van extrinsieke motivatie is er nog een derde soort extrinsieke motivatie: geïndificeerde regulatie. Bij deze soort motivatie begrijpt de leerling waarom het uitvoeren van bepaald gedrag wel/ niet zinvol voor hem is. Ook nu gebruikt de leerling het leren (middel) om een bepaald doel te bereiken, maar het verschil met de andere vormen van extrinsieke motivatie is dat hij het doel persoonlijk belangrijk en/ of waardevol vindt, hij zich hiermee kan identificeren. Zowel deze vorm van motivatie als intrinsieke motivatie zal bij leerlingen leiden tot psychologische vrijheid en keuze. Hierom vallen deze vormen beiden onder de autonome (welwillende) motivatie.

 Voordelen van autonome motivatie

Wanneer leerlingen een sterke autonome motivatie hebben ervaren zij op tal van gebieden binnen het school functioneren voordelen. Autonome motivatie blijkt gerelateerd te zijn met een hoger psychologisch welzijn, betere resultaten en meer zelfstandig leren (plannen, volharding, meer diepgaand leren). Gecontroleerde motivatie daarentegen lijkt samen te hangen met slechte coping strategieën bij schools falen, minder concentratie, minder efficiënt tijdsbeheer, meer uitstel gedrag, meer drop-out en lagere resultaten.

Het blijkt dus, om leerlingen te motiveren, niet zo zeer gekeken moet worden naar de hoeveelheid motivatie die een leerling heeft als ook niet naar de mate van interne en externe motivatie. Belangrijker lijkt te zijn op welke manier de autonome motivatie gestimuleerd kan worden en gecontroleerde motivatie bij leerlingen minder kan worden.

 Verbetering van autonome motivatie

Het hebben een hoge autonome motivatie, en lage gecontroleerde motivatie blijkt samen te hangen met positieve school-leer prestaties. Belangrijk hierom is om te weten op welke manier docenten en ouders hun leerlingen/ kind(eren) kunnen helpen tot het verkrijgen van meer autonome motivatie. Oftewel, welke componenten van belang zijn bij autonomie ondersteunende benadering van de docent

Uit onderzoek van Reeve en Yang (2006) zijn drie belangrijke componenten naar voren gekomen welke van grote waarde zijn voor de autonomie ondersteunende benadering van de docent.

Ten eerste identificeren. Autonomie ondersteunende leerkrachten blijken een goed inzicht proberen te krijgen in de interesses van de leerlingen. Ze proberen de innerlijke drijfveren van de leerling te identificeren. Dit gebeurt bijvoorbeeld door de mate waarin de leerkracht aandachtig naar hun leerlingen luisteren, de ruimte die leraren geven om hun leerlingen hun mening te laten horen, vragen wat hun leerlingen wensen en empathisch mee te leven met wat er in de leerling om gaat.

Ten tweede het voeden van de persoonlijke interesses en waarden van de leerlingen. Dit kan gedaan worden door leerlingen op hun eigen manier een probleem te laten oplossen. Dit vergroot de kans dat leerlingen gaan experimenteren om nieuwe dingen te ontdekken, waardoor de ze meer intrinsiek geboeid raken/ blijven. Daarnaast kan ook het aanbieden van keuzes ertoe leiden dat interesses worden gevoed. Tot slot kunnen de persoonlijke interesses ook gevoed worden door het geven van positieve feedback en het geven van tips op een ondersteunde manier (‘misschien kan je het eens op deze manier proberen’).

Het laatste component betreft het opbouwen van innerlijke drijfveren. Het betreft hier het geven van een zinvolle, realistische en concrete uitleg aan de leerling waarom een regel geldt. Wanneer een leerling begrijpt waarom een regel geldt zal hij/ zij eerder begrip op kunnen brengen (en zich ermee kunnen identificeren) voor de regel dan wanneer het voor de leerling onduidelijk is waarom een regel wordt ingevoerd. De eerder genoemde geïndificeerde regulatie (autonome motivatie) zal gestimuleerd worden.

Naast bovenstaande punten zijn er nog algemene punten waarop leerkrachten de autonome motivatie van leerlingen kunnen bevorderen. Het taalgebruik wat de leerkrachten gebruiken speelt een grote rol. Spreken in termen van ‘kunnen’ en ‘willen’ heeft de voorkeur boven spreken in termen van ‘moeten’ en ‘verwachten’.

 Probeer te vermijden

Spreken in termen van ‘moeten’ en ‘verwachten’ wordt eerder ervaren als controlerende taal. Wanneer docenten hier gebruik van maken zal het niet de autonome motivatie van leerlingen bevorderen. Andere voorbeelden van controlerende taal betreft het geven van bevelen, dwingende manieren om aanmoedigingen/ tips te geven, voorwaardelijke positieve feedback, schuld inducerende taal. Tot slot zijn er ook controlerende gedragingen van leerkrachten, welke de autonome motivatie van leerlingen niet zullen bevorderen. Hier valt onder: Het geven van oplossingen zonder dat de leerkracht de leerling dingen zelf laat ontdekken of zonder hem/ haar de mogelijkheid geven zelf het probleem grondig te analyseren. Kritiek geven op een leerling wanneer deze niet handelt zoals door de leerkracht verwacht. De nadruk leggen op het behalen van goede toets resultaten.

 Referentie

Sierens, E. & Vansteenksite, M. (2009). Wanneer ‘meer minder betekent’: motivatieprofielen van leerlingen in kaart gebracht. Begeleid Zelfstandig Leren, 24, 17-34.

Vansteenkiste, M., Sierens, E., Soenens, B., Lens, W. (2007). Willen, moeten en structuur in de klas: over het stimuleren van een optimaal leerproces. Beleid Zelfstandig Leren, 16, 1-22.

 Opdrachten:

Opdracht Motivatie ‘drijfveren, doelen en prioriteiten’

Opdracht Motivatie ‘inzicht autonome motivatie’

Tips Motivatie ‘benadering docent ter bevordering van motivatie’

Opdracht Motivatie ‘plan van aanpak’