Geschreven door Patricia Hendrikx en Renske Derksen

Hoe help je leerlingen met motivatieproblemen?

Bijna alle leerlingen hebben er wel eens last: Geen motivatie om schoolwerk te maken. Desondanks is motivatie een vereiste voor leerlingen om hun school succesvol af te ronden. Is een leerling nooit gemotiveerd om zijn schoolwerk te doen dan zal hij/ zij vroeg of laat vast lopen. Leraren en ouders spannen zicht geregeld in om de motivatie van hun leerlingen/ kind(eren) te vergroten. Meer motivatie zal immers leiden tot beter functioneren, is de algemene aanname. Maar is het werkelijk dat meer motivatie per definitie altijd beter is? Speelt het soort motivatie van een leerling heeft ook een rol? Op welke manier kan een leerling gemotiveerd worden dat dit ook echt effectief is voor zijn/ haar werkhouding. En welke motivatie heb jij zelf/ heeft uw leerling/ uw kind het meest?

Intrinsieke en extrinsieke motivatie

In het onderwijs wordt vaak de nadruk gelegd op de kwantiteit van de motivatie. Hoe meer een leerling gemotiveerd is, hoe beter hij/ zij zal functioneren. Het blijkt echter dat de kwaliteit (of soort) van motivatie een minstens even grote rol speelt op het functioneren van de leerling. Wanneer men spreekt over soort van motivatie worden intrinsieke en extrinsieke motivatie vaak genoemd. Intrinsieke motivatie is motivatie die mensen vanuit zichzelf hebben en wordt vaak beschouwd als ‘goed’. Wanneer leerlingen intrinsiek gemotiveerd zijn leren ze uit nieuwsgierigheid en persoonlijke interesses. Weinig stimulans van buiten lijkt hierbij nodig te zijn. Extrinsieke motivatie wordt daarentegen vaak beschouwd als ‘slecht’ omdat leerlingen in dit geval het leren niet als doel zien maar als een middel om een ander doel te bereiken. Een leerling leert hard voor zijn proefwerk biologie. Niet omdat hij het een interessant onderwerp vindt, maar omdat hij een voldoende moet halen om over te gaan naar de volgende klas. Het blijkt echter dat extrinsieke motivatie niet per definitie ‘slecht’ is. Om leerlingen te stimuleren hoeft de extrinsieke motivatie niet per definitie vermijd te worden. De mate waarin een leerling autonome en gecontroleerde motivatie ervaart lijkt een belangrijkere rol te spelen.

 Gecontroleerde versus autonome motivatie

De meest bekende vorm van extrinsieke motivatie van leerlingen is als zij iets doen (of juist niet) om straf te vermijden of beloning te krijgen, oftewel gemotiveerd worden door externe elementen. Deze vorm van extrinsieke motivatie wordt hierom ook wel externe regulatie genoemd. Er zijn echter ook leerlingen die zichzelf onder druk zetten om een goede prestatie neer te zetten. Hun motivatie is om schuld, schaamte en angst te vermijden. Deze vorm van extrinsieke motivatie (het studeren is een middel om het doel, bijv. schuld, te vermijden) wordt geintrojecteerde regulatie genoemd. Bij zowel de externe regulatie als de geintrojecteerde regulatie ervaren de leerlingen veel stress en druk. Het betreft hier dan ook gecontroleerde (verplichtende) motivatie.

Naast bovengenoemde vormen van extrinsieke motivatie is er nog een derde soort extrinsieke motivatie: geïndificeerde regulatie. Bij deze soort motivatie begrijpt de leerling waarom het uitvoeren van bepaald gedrag wel/ niet zinvol voor hem is. Ook nu gebruikt de leerling het leren (middel) om een bepaald doel te bereiken, maar het verschil met de andere vormen van extrinsieke motivatie is dat hij het doel persoonlijk belangrijk en/ of waardevol vindt, hij zich hiermee kan identificeren. Zowel deze vorm van motivatie als intrinsieke motivatie zal bij leerlingen leiden tot psychologische vrijheid en keuze. Hierom vallen deze vormen beiden onder de autonome (welwillende) motivatie.

 Voordelen van autonome motivatie

Wanneer leerlingen een sterke autonome motivatie hebben ervaren zij op tal van gebieden binnen het school functioneren voordelen. Autonome motivatie blijkt gerelateerd te zijn met een hoger psychologisch welzijn, betere resultaten en meer zelfstandig leren (plannen, volharding, meer diepgaand leren). Gecontroleerde motivatie daarentegen lijkt samen te hangen met slechte coping strategieën bij schools falen, minder concentratie, minder efficiënt tijdsbeheer, meer uitstel gedrag, meer drop-out en lagere resultaten.

Het blijkt dus, om leerlingen te motiveren, niet zo zeer gekeken moet worden naar de hoeveelheid motivatie die een leerling heeft als ook niet naar de mate van interne en externe motivatie. Belangrijker lijkt te zijn op welke manier de autonome motivatie gestimuleerd kan worden en gecontroleerde motivatie bij leerlingen minder kan worden.

 Verbetering van autonome motivatie

Het hebben een hoge autonome motivatie, en lage gecontroleerde motivatie blijkt samen te hangen met positieve school-leer prestaties. Belangrijk hierom is om te weten op welke manier docenten en ouders hun leerlingen/ kind(eren) kunnen helpen tot het verkrijgen van meer autonome motivatie. Oftewel, welke componenten van belang zijn bij autonomie ondersteunende benadering van de docent

Uit onderzoek van Reeve en Yang (2006) zijn drie belangrijke componenten naar voren gekomen welke van grote waarde zijn voor de autonomie ondersteunende benadering van de docent.

Ten eerste identificeren. Autonomie ondersteunende leerkrachten blijken een goed inzicht proberen te krijgen in de interesses van de leerlingen. Ze proberen de innerlijke drijfveren van de leerling te identificeren. Dit gebeurt bijvoorbeeld door de mate waarin de leerkracht aandachtig naar hun leerlingen luisteren, de ruimte die leraren geven om hun leerlingen hun mening te laten horen, vragen wat hun leerlingen wensen en empathisch mee te leven met wat er in de leerling om gaat.

Ten tweede het voeden van de persoonlijke interesses en waarden van de leerlingen. Dit kan gedaan worden door leerlingen op hun eigen manier een probleem te laten oplossen. Dit vergroot de kans dat leerlingen gaan experimenteren om nieuwe dingen te ontdekken, waardoor de ze meer intrinsiek geboeid raken/ blijven. Daarnaast kan ook het aanbieden van keuzes ertoe leiden dat interesses worden gevoed. Tot slot kunnen de persoonlijke interesses ook gevoed worden door het geven van positieve feedback en het geven van tips op een ondersteunde manier (‘misschien kan je het eens op deze manier proberen’).

Het laatste component betreft het opbouwen van innerlijke drijfveren. Het betreft hier het geven van een zinvolle, realistische en concrete uitleg aan de leerling waarom een regel geldt. Wanneer een leerling begrijpt waarom een regel geldt zal hij/ zij eerder begrip op kunnen brengen (en zich ermee kunnen identificeren) voor de regel dan wanneer het voor de leerling onduidelijk is waarom een regel wordt ingevoerd. De eerder genoemde geïndificeerde regulatie (autonome motivatie) zal gestimuleerd worden.

Naast bovenstaande punten zijn er nog algemene punten waarop leerkrachten de autonome motivatie van leerlingen kunnen bevorderen. Het taalgebruik wat de leerkrachten gebruiken speelt een grote rol. Spreken in termen van ‘kunnen’ en ‘willen’ heeft de voorkeur boven spreken in termen van ‘moeten’ en ‘verwachten’.

 Probeer te vermijden

Spreken in termen van ‘moeten’ en ‘verwachten’ wordt eerder ervaren als controlerende taal. Wanneer docenten hier gebruik van maken zal het niet de autonome motivatie van leerlingen bevorderen. Andere voorbeelden van controlerende taal betreft het geven van bevelen, dwingende manieren om aanmoedigingen/ tips te geven, voorwaardelijke positieve feedback, schuld inducerende taal. Tot slot zijn er ook controlerende gedragingen van leerkrachten, welke de autonome motivatie van leerlingen niet zullen bevorderen. Hier valt onder: Het geven van oplossingen zonder dat de leerkracht de leerling dingen zelf laat ontdekken of zonder hem/ haar de mogelijkheid geven zelf het probleem grondig te analyseren. Kritiek geven op een leerling wanneer deze niet handelt zoals door de leerkracht verwacht. De nadruk leggen op het behalen van goede toets resultaten.

 Referentie

Sierens, E. & Vansteenksite, M. (2009). Wanneer ‘meer minder betekent’: motivatieprofielen van leerlingen in kaart gebracht. Begeleid Zelfstandig Leren, 24, 17-34.

Vansteenkiste, M., Sierens, E., Soenens, B., Lens, W. (2007). Willen, moeten en structuur in de klas: over het stimuleren van een optimaal leerproces. Beleid Zelfstandig Leren, 16, 1-22.

 Opdrachten:

Opdracht Motivatie ‘drijfveren, doelen en prioriteiten’

Opdracht Motivatie ‘inzicht autonome motivatie’

Tips Motivatie ‘benadering docent ter bevordering van motivatie’

Opdracht Motivatie ‘plan van aanpak’

Reageer


3 + = tien