• Wat is  geografisch onderzoek doen?
  • Hoe pak ik het aan?
  • Technieken bij het onderzoek
  • Welke bronnen kan ik gebruiken?
  • Profielwerkstuk en aardrijkskunde

Wat maakt een onderzoek nu geografisch en niet biologisch of geschiedkundig?

► Allereerst onderzoek je als geograaf een spreiding van iets wat voorkomt op het aardoppervlak bv vulkanen, grote steden, armoede etc. Je stelt je dan de volgende vraag: waarom komt het (onderwerp) daar  nu vooral voor en ergens anders niet of minder? 

Je gaat dus die spreiding van "wat" verklaren. Zo kun je je dus afvragen waarom de ziekte aids vooral in Afrika voorkomt en langs welke weg dit zich verspreidt. 

Die verklaring kun je zoeken in bv een geschiedkundige-, economische-, klimatologische-, biologische- etc oorzaak. Meestal is het natuurlijk niet één oorzaak, maar zijn er meerdere. De een kan belangrijker dan de andere zijn.

 ►Je kunt ook gebieden met elkaar vergelijken. Zo kun je dus onderzoeken waarom er in de ene wijk van Amsterdam wel veel bejaarden wonen en in een andere niet. Je neemt dus één verschijnsel, het percentage bejaarden, dat je in beide gebieden gaat onderzoeken. Oorzaken voor dit verschil moet je dan zien te achterhalen.

Datzelfde verschijnsel kun je ook onderzoeken in bv heel Nederland. Je gaat dan voor heel Nederland kijken waar de bejaarden wonen. Zo kun je gebieden met veel, weinig en geen bejaarden aangeven. 

► Je hebt dan een geleding gevonden: je kunt Nederland dan opdelen in deze drie gebieden. Vervolgens ga je uitzoeken waardoor dit verschil komt, dus waarom daar juist veel, weinig of geen bejaarden wonen.

► Een echte geograaf gaat vooral kaarten gebruiken om dit alles te laten zien, presenteren heet dat dan.

Inzoomen en uitzoomen

Waar je vervolgens nog aan moet denken bij geografisch onderzoek is het in- en uitzoomen vanuit jouw onderzoeksgebied.

Daar wordt mee bedoeld dat je steeds een lager of hoger niveau kiest om jouw verschijnsel in te vergelijken. Dus die bejaarden weer. Nu pak je het gebied met bv de meeste bejaarden. Wat kun je nu zeggen over de spreiding van de bejaarden in dit gebied. Zijn er nu weer plaatsen aan te geven waar toch veel, weinig en geen bejaarden wonen en hoe komt dat? 

Je kijkt als het ware met een  camera naar een groot geheel en zoomt steeds verder je onderzoeksgebied in of , omgekeert, uit. 

Van dit laatste nog en voorbeeld met die bejaarden. Je hebt in een Amsterdamse wijk heel veel bejaarden zitten. Door alleen te kijken naar deze wijk zou je kunnen denken dat Amsterdam wel veel bejaarden zal hebben. Door te kijken op een hoger niveau zie je dat deze wijk in alle Amsterdamse wijken een uitzondering is. Het is dan nl de enige wijk met veel bejaarden. Je conclusie wordt dan ook anders.

Zo zou je ook naar andere verschijnselen onderzoek kunnen doen en steeds dat in- en uitzoomen kunnen gebruiken.

Bewijzen!

Bij het verklaren moet je wel zorgen dat je bewijzen hebt. Heeft het hoge percentage bejaarden in sommige wijken iets te maken met de ouderdom van de wijk? 

► Dit moet je dan eerst statistisch aantonen met bv een rangcorrelatie: hebben de wijken met een hoog percentage ook veel oude huizen? 

Bij de docent aardrijkskunde of wiskunde kun je vragen hoe je dat het beste kunt doen, zie ook bij punt 2 hieronder.


Een stappenplan bij geografisch onderzoek:

STAP 1.a Kiezen van een onderwerp

 ► Wat je leuk vindt

 ► Iets uit de lesboeken

 ► Krantenberichten uit de regionale krant

 

STAP 1.b Vraagstelling: hoofdvraag

 Moet geografisch zijn dus gaan over of

-  het spreidingspatroon van een verschijnsel (je onderwerp) of

-  de ruimtelijke geleding van gebieden of

-  een vergelijking tussen gebieden  

-  of alledrie!

Denk hierbij ook aan: - hoe mens en natuur verschillen tussen gebieden veroorzaken - veranderingen in ruimtegebruik - ruimtelijke conflicten - relaties tussen gebieden

► moet concreet zijn (met deelvragen die beschrijven, verklaren, waarderen, voorspellen en oplossen)

STAP 1.c Maken van een hypothese:

tijdens het maken van een hoofdvraag en deelvragen kom je al wel tot bepaalde ideeen over de mogelijke antwoorden. Vat deze samen, dit is je hypothese (vooronderstelling). Aan het eind van je onderzoek kijk je of deze klopt of niet! In beide gevallen heb je een goed onderzoek!

STAP 2. Onderzoeksplan opstellen, opschrijven dus:

a. Welk soort bronnen  en waar denk je deze te vinden, wat is je onderzoeksgebied ? 

b. Op welke manier ga je deze informatie verwerken? 

Klik op de voorbeelden voor uitleg bij deze technieken  (openen in een popup!)

►  stippenkaart  

►  stroomdiagram 

►  isopleet 

 ► dwarsdoorsnede (Les + voorbeeld)

►  choropleet 

►  Lorenztcurve

►  clusteringindex  (Excel)

►  Spearman's rangcorrelatie (Excel) 

 ► Chikwadraattoets (Excel)

 

STAP 3. Verzamelen van informatie:

 ►internet

 ► bieb

 ► kranten (archief)

 ► interview

 ► enquête

 ► observeren

Niet genoeg informatie kan betekenen dat je een ander onderwerp/ vraagstelling moet bedenken.


STAP 4. Het verwerken van de informatie:

► selecteer uit de (grote hoeveelheid) informatie die je hebt wat je nodig hebt voor de beantwoording van de deelvragen.

► maak gebruik van een geleerde techniek (zie verwerking hierboven)  om de informatie te bewerken. Kaarten, doorsnedes, grafieken, clustering, rangcorrelatie zijn hiervan voorbeelden.

Wat zie je nu wanneer je de info hebt verwerkt? Je moet dus de uitslag interpreteren:wat betekent de uitkomst?

STAP 5. Beantwoorden van de onderzoeksvragen:

► koppel de verwerkte info terug naar de verschillende deelvragen. Bij welke vraag hoort die bepaalde informatie?

 ► nu kun je bepalen of de hypothese die je hebt opgesteld klopt of juist niet klopt. In beide gevallen heb je een uitkomst. Het hoeft dus niet perse te kloppen!

STAP 6. Eigen mening:

► ben je het eens met de gevonden antwoorden op de vragen die je had gesteld?

 ► zijn er binnen het onderwerp/regio conflicten (tussen personen, groeperingen, ruimtegebruik,milieu etc) en wat is jouw mening daarover of wat moet er volgens jou gebeuren (in de toekomst), welke aanbevelingen doe je dus!

STAP 7. Presenteren van het onderzoek:

Je kunt dit op de volgende wijze doen:

► schriftelijk (werkstuk)

► video- presentatie (overleg met docent)

► computer- presentatie (Power Point, HTML)

GIS analyses met  een echte GIS zoals QGIS (gratis)

Aanwezig zouden moeten zijn:

►  kaart(en)

► wisseling van analyseniveau

► minstens één techniek

► bronvermelding: websites (url), titel boek-uitgever-jaar van  uitgifte-schrijver, krant/tijdschrift-naam-datum-schrijver)

► alle stappen 1t/m 8 uit het stappenplan

STAP 8. Terugblik: 

Hoe verliep het onderzoek, wat ging er fout, wat heb je er van geleerd, wat zou je verder nog willen onderzoeken?

Beoordeling van de docent kan met behulp een beoordelingsmodel gebeuren. 

Vraag er bij je docent om!!!

 

Op www.aarde.nu is een bundeling van aardwetenschappelijke onderwerpen voor profielwerkstukken te vinden.

 

► Profielwerkstuk:  hoe pak je dat als leerling en begeleider aan en welke rol kan AK daar in spelen? 

Joop van der Schee (Vrije Universiteit Amsterdam) heeft zijn handleiding ter beschikking gesteld. 

Haal hier.. (.doc)